Koan 11 – De monnik die twee keer zijn vuist opstak
Meester Zhaozhou ging bij een kluizenaar langs en vroeg: Lukt het een beetje?
De kluizenaar stak zijn vuist op.
Als het water stil staat, stinkt het, zei de meester.
Enkele dagen later bezocht hij de kluizenaar weer en vroeg: Lukt het een beetje?
De kluizenaar stak zijn vuist op.
De meester maakte een buiging en zei: Stille wateren hebben diepe gronden.

11.1 Watervallen
De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: Lukt het een beetje?
De kluizenaar stak zijn vuist op.
De meester zei: Als het water stil staat, stinkt het.
De kluizenaar vroeg: Wat heb ik dan verkeerd gedaan?
De meester zei: Denken dat je iets verkeerd hebt gedaan.
Bij de volgende kluizenaar aangekomen vroeg de meester: Lukt het een beetje?
De kluizenaar stak zijn vuist op.
De meester zei: Stille wateren hebben diepe gronden.
De kluizenaar zei: Dank u.
De meester vervolgde: Maar als het water stil staat, stinkt het.
De kluizenaar vroeg: Wat heb ik dan verkeerd gedaan?
De meester zei: Denken dat je iets goed hebt gedaan.
Bij de volgende kluizenaar aangekomen vroeg de meester: Lukt het een beetje?
De kluizenaar zwaaide.
Als het water stil staat, stinkt het, zei de meester.
De kluizenaar zweeg.
De meester boog.
De kluizenaar zei: En ga me nu niet vertellen dat stille wateren diepe gronden hebben.
11.2 Waterscheiding
De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: Lukt het een beetje?
Stille wateren hebben diepe gronden, antwoordde de kluizenaar
De meester stak zijn vuist op.
Dus pas maar op dat u niet verdrinkt, vervolgde de monnik.
Kwaad liep de meester verder.
Bij de volgende kluizenaar aangekomen, vroeg de meester: Lukt het een beetje?
Als het water stil staat, stinkt het, antwoordde de kluizenaar.
Kan een mens niet eens meer een normale vraag stellen? vroeg de meester.
Daar heb je het al, zei de kluizenaar.
Woedend stak de meester zijn vuist op.
11.3 Wateren over Gods akker
De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg of het een beetje lukte.
De kluizenaar stak zijn vuist op.
‘Als het water stil staat, stinkt het’, zei de meester.
‘Loop dan maar gauw verder’, antwoordde de monnik.
Bij de volgende kluizenaar aangekomen, vroeg de meester: ‘Lukt het een beetje?’
De kluizenaar stak zijn vuist op.
De meester maakte een buiging en zei: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’
‘Het stinkt hier’, zei de kluizenaar schamper.
‘Hoezo?’
‘Ik ben vooruit gehold.’
De meester trok wit weg. ‘U bent dezelfde als daarnet?’ Hij sloeg zijn ogen neer en begon over zijn hele lichaam te zweten.
‘Het water staat u aan de lippen’, zei de kluizenaar droog.
Beschaamd droop de meester af.
11.4 Buitenspelval
Jaar in jaar uit ging de meester bij een kluizenaar langs om te vragen of het een beetje lukte. Jaar in jaar uit haalde de kluizenaar zijn schouders op. Ten slotte kreeg de kluizenaar er genoeg van, en toen de meester het jaar daarop weer vroeg of het een beetje lukte, vroeg de monnik: ‘Denkt u nu nog steeds dat er iets moet lukken?’
‘Het is een testvraag’, legde de meester uit.
‘Denkt u nu nog steeds dat u iets moet testen?’
‘Zo zijn de regels.’
‘En ik speel niet meer mee.’
‘Zeg, wie is hier eigenlijk de meester?’
‘Precies.’
Woedend stak de meester zijn vuist op.
De kluizenaar hield het voor gezien.
11.5 Drie vloeken en een zucht
De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’
De monnik smeekte: ‘Een hint alstublieft.’
‘Waarvoor?’
‘Schertsfiguur!’ riep de monnik.
‘Nee, jij dan.’
‘Waarom geeft u mij geen hint?’ huilde de monnik.
‘En dat is drie’, zei de meester.
11.6 Elf lange jaren
De meester ging bij een kluizenaar langs en vroeg: ‘Lukt het een beetje?’
‘Woef!’ zei de monnik.
De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
Een jaar later antwoordde de monnik: ‘De verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’
De meester haalde zijn schouders op en keerde terug naar het klooster.
In de jaren daarna sneed de monnik ten antwoord een vinger af, schoor hij zijn baard af, ging hij met zijn tanden aan een tak hangen, stak hij een bloem omhoog, waste hij zijn schaaltjes af, haalde hij zijn kar uit elkaar, bleef hij onbeweeglijk zitten, sloeg hij drie bekers patriarchenwijn achterover en stak hij een vuist op.
Steeds haalde de meester zijn schouders op en keerde op zijn schreden terug naar het klooster.
Pas toen de meester in het twaalfde jaar weer kwam vragen of het een beetje lukte, haalde de kluizenaar zijn schouders op en vroeg hij de meester of het een beetje lukte.
Die haalde op zijn beurt zijn schouders op, waarna ze arm in arm terugliepen naar het klooster.

