Koan 13 – Alle wijsheid in een schaaltje
Meester Deshan liep met zijn kommetjes naar de eetzaal toen de dienstdoende monnik, Xuefeng, hem aansprak: De klok voor het eten moet nog luiden, waar gaat u met uw kommetjes naartoe?
De meester draaide zich zonder iets te zeggen om en slofte terug naar zijn kamer.
De dienstdoende monnik vertelde het aan de hoofdmonnik, Yantou, die zei: Deshan is niet gek, maar het laatste woord heeft hij nog niet gehoord.
Meester Deshan riep de hoofdmonnik bij zich en zei: Begrijp ik het goed dat u aan mijn meesterschap twijfelt?
Yantou haalde zijn schouders op.
De volgende dag betrad meester Deshan het spreekgestoelte en hield een vlammend betoog.
De hoofdmonnik zei tevreden: Hoor die brandklok eens luiden. Vanaf nu zal hij iedereen overstemmen.

13.1
De klok voor het eten moest nog luiden, maar de meester zat al in de eetzaal. De kok zei: ‘Wat krijgen we nou?’
‘Vraag maar aan de kok,’ antwoordde de meester, ‘die gaat over het menu.’
‘Ben ik soms niet de kok?’ zei de kok.
‘Soep? Rijst? Ingelegde pruimen?’ vroeg de meester.
‘Beginnen we het een beetje kwijt te raken?’ vroeg de kok.
‘Ik heb het nooit gehad.’
‘Wat doe ik dan hier?’
‘Op dit moment?’
‘Nou?’
‘Vragen stellen.’
‘Ik bedoel hier in dit klooster’, verduidelijkte de kok.
‘Koken.’
‘Kom nou gauw.’
‘Ik ben er al,’ zei de meester, ‘jij?’
‘Koken’, lachte de kok schamper.
‘Wat dacht jij dan dat je aan het doen was?’ vroeg de meester.
‘Wachten op het licht in mijn derde oog.’
‘Kun je lang wachten.’
‘Waar bent u in Boeddha’s naam mee bezig’, riep de kok.
‘Wachten op het eten, dat zie je toch?’
‘Kunt u lang wachten’, schreeuwde de kok met rood aangelopen hoofd.
‘Wedden?’ zei de meester en luidde de klok voor het eten.
13.2
De klok voor het eten moest nog luiden, maar de meester zat al aan tafel met zijn kommetjes in de aanslag. De hoofdmonnik zei: ‘Volgens mij heeft u het laatste woord van zen nog niet gehoord.’
De meester schoot in de lach en de hoofdmonnik verschoot van kleur.
De volgende dag stond het spreekgestoelte in de meditatiezaal vol lege kommetjes, maar de meester zelf liet zich niet zien.
Een dag later waren zowel de kommetjes als het spreekgestoelte verdwenen. Niemand wist wie ze weggehaald had en niemand wist waar de meester was gebleven.
Na een week werd de hoofdmonnik tijdelijk als abt aangesteld, na een jaar voorgoed.
De rest van zijn leven vroeg hij zich af of hij het laatste woord van zen wel had gehoord.
13.3
Monnik: De klok voor het eten heeft nog niet geluid, waar gaat u heen?
Meester: Mijn kommetjes naar de eetzaal brengen.
Monnik: Wat heeft dat voor zin?
Meester: Zin is een woord van drie letters.
Monnik: Wat?
Meester: ‘Zin’ is geen zin, maar dit wel.
Monnik: U bent geen dwaas, maar het laatste woord van zen heeft u nog niet gehoord.
Meester: Wie het laatste woord van zen heeft gehoord, is nog niet eens begonnen.
Monnik: Wat is volgens u het laatste woord van zen?
Meester: Dwaas.
13.4
De meester zei: ‘Wat is het laatste woord van zen?’
De monniken begonnen door elkaar heen te schreeuwen: ‘Boeddha natuurlijk.’ ‘Dharma natuurlijk.’ ‘Karma natuurlijk.’ ‘Leegte natuurlijk.’ ‘Niet-zelf natuurlijk.’ ‘Afhankelijk ontstaan natuurlijk.’ ‘Onthechting natuurlijk.’ ‘Verlichting natuurlijk.’ ‘Nirwana natuurlijk.’ ‘Parinirwana natuurlijk.’ ‘Er is helemaal geen laatste woord.’ ‘Hierover is het laatste woord nog niet gezegd.’’ ‘Ieder woord is het laatste woord.’ ‘Ieder woord is het eerste woord.’
Een monnik die nog niets gezegd had richtte zich tot de meester en vroeg: ‘Wat is volgens u het laatste woord van zen?’
Buiten koerde een duif.
De meester zei: ‘Roekoe.’
13.5
Meester Tjatjatja lag op sterven.
Monnik: Wat is het laatste woord van zen?
Meester: Tja.
Monnik: Is dat het laatste woord van zen of weet u het niet?
Meester: Tja.
Monnik: En het eerste woord van zen?
Meester: Tja.
Monnik: Tja.
Meester: Dat zeg ik.
Het waren zijn laatste laatste woorden.
13.6
Meester Ieja lag op sterven.
Een monnik zei: Heeft u misschien nog een laatste woord voor mij?
De meester kreunde: Wie… als… ezel… wordt… geboren… zal… als… ezel… sterven.
De monnik barstte in huilen uit.
De meester barstte in lachen uit. Ieja! zei hij.
Het was zijn laatste woord.
13.7
Meester Lidl lag op sterven.
Een monnik zei schor: Heeft u misschien nog een laatste boodschap voor ons?
De meester zei schor: Een… liter… melk… en… een… half… gesneden… wit… graag.
De monnik zei schor: Ik zou zo graag uw laatste woorden optekenen.
De meester zei schor: Dit… zijn… mijn… laatste… woorden.
Het waren zijn laatste woorden.
13.8
Meester Weifel lag op sterven.
Een monnik die bij hem waakte keek hem peinzend aan zonder iets te zeggen.
Meester: Ik heb gehoord dat je aan mijn meesterschap twijfelt.
Monnik: De laatste jaren…
Meester: Ik had de hoop al opgegeven.
Het waren zijn laatste woorden.
13.9
Meester Hebbes lag op sterven.
Monnik: Laat me niet met lege handen achter.
De meester pakte ze vast en zei: Hier ermee.
Het waren zijn laatste woorden.
13.10
Meester Lijk lag op sterven.
Monnik: Laat me niet met lege handen achter.
Meester: Ik laat je mijn lijk.
Monnik: Dat zal alleen maar ontbinden.
Meester: Ontbinding is het toppunt van meesterschap.
Het waren zijn laatste woorden.
13.11
Meester Moe lag op sterven.
Monnik: Mag ik uw laatste woorden optekenen?
Meester: Dat spreekt vanzelf.
Monnik: Even mijn opschrijfboekje pakken.
Meester: Opschieten hoor.
Monnik: Daar ben ik weer.
Meester: Ben je er klaar voor?
Monnik: Ik ben er klaar voor.
Meester: Hèhè.
Het waren zijn laatste woorden.
13.12
Meester Sst lag op sterven.
Een monnik vroeg: ‘Wilt u ons nog iets meegeven?’
De meester zweeg.
‘Bedoelt u dat er geen boodschap is?’
Geen sjoege.
‘Bedoelt u dat de boodschap onuitsprekelijk is?
Stilte.
‘Bedoelt u dat u geen bedoeling met ons heeft? Bedoelt u dat we het helemaal zelf moeten uitvinden? Bedoelt u dat we moeten zwijgen? Kunt u ons dan helemaal niets meegeven? Het niets, is dat waar het om draait? De leegte? Het zelf? Het ongeborene? Het doodloze? De dood?’
‘Is het nu uit’, riep de meester.
Het waren zijn laatste woorden.
13.13
Meester Nietes lag niet op sterven.
Monnik, knikkend: Zen heeft helemaal geen laatste woord.
Meester, hoofdschuddend: Toch weer een laatste woord gevonden?
Het waren niet zijn laatste woorden.

