Koan 12 – Hoe meester Ruiyan zichzelf bij de les hield
Iedere ochtend zei Ruiyan tegen zichzelf: ‘Meester’, en gaf dan zelf antwoord: ‘Wat is er?’ ‘Wakker blijven hoor.’ ‘Ja meester.’ ‘En laat je door niemand iets wijsmaken.’ ‘Nee meester.’

12.1
Iedere ochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Laat je door niemand iets wijsmaken hè.’ ‘Nee meester.’ ‘Vooral niet door jezelf.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door mij.’ ‘Nee meester.’ ‘Dit ook niet.’ ‘Nee meester.’ ‘Ja, wat zeg ik nou.’ ‘Ja meester.’
12.2
Iedere maandagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Wat is er?’ ‘Denk je nu nog steeds dat je een meester bent?’ ‘Nee meester.’ ‘Niet vergeten hè?’ ‘Nee meester.’
Iedere dinsdagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan geen antwoord. Daarna zegt hij tegen zichzelf: ‘Denk je nu nog steeds dat je geen meester bent?’ ‘Nee meester.’ ‘Niet vergeten, hè?’ ‘Nee meester.’
Iedere woensdagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Wat is er?’ ‘Ik ben je meester niet.’ ‘En ik de jouwe niet.’ ‘Wat ben je dan wel?’ ‘Als ik dat wist was ik je meester wel.’ ‘En ik de jouwe.’ ‘Ja meester.’ ‘Nee meester, zul je bedoelen.’ ‘Ja meester.’
Iedere donderdagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Ja meester.’ ‘Niet zo opletten de hele dag, hè.’ ‘Nee meester.’ ‘Hierop ook niet.’ ‘Ik zal erop letten.’
Iedere vrijdagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Wat is er?’ ‘Niet in jezelf praten, hoor.’ ‘Mij hoor je niet meer.’ ‘Ik hoor je niet meer.’ ‘Wat zeg je?’
Iedere zaterdagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Wat is er?’ ‘Ik weet niet wat ik zeggen moet.’ ‘Het werd tijd.’ ‘Jij?’ ‘Ik ook niet.’ ‘Of toch…’ ‘Wat?’ ‘Zie maar.’ ‘Vanzelf.’
Iedere zondagochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Maak dat de kat maar wijs.’ Dan zegt hij: ‘Je spreekt met het ware zelf’, en antwoordt: ‘Geef me het onware zelf dan maar even.’ Daarop weet hij niets meer te zeggen en zo gaat hij de nieuwe week in.
12.3
Iedere ochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Wat is er?’ ‘Je kunt het niet verkeerd doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door te denken dat je het verkeerd kunt doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Je kunt het ook niet goed doen.’ ‘Nee meester.’ ‘Ook niet door te denken dat je het goed kunt doen.’ ‘En als ik het toch verkeerd doe?’ ‘Niets aan de hand.’ ‘En als ik het toch goed doe?’ ‘Ook goed.’ En daar laten ze het bij.
12.4
Iedere ochtend zegt de meester tegen zichzelf: ‘Meester, wat ben je stil’, en geeft dan geen antwoord.
Daarna zegt hij: ‘Meester, wat ben je?’ en geeft geen antwoord.
Hij zegt: ‘Meester, ben je?’ en geeft geen antwoord.
Hij zegt: ‘Meester?’ en geeft geen antwoord.
Daarna keek hij om zich heen en als er niemand in de buurt is zegt hij zachtjes: ‘Verdorie’, en geeft dan zelf antwoord: ‘Wat?’ ‘Weer niks.’ ‘Geeft niets.’ ‘Waarom niet?’ ‘Dat is zijn kracht.’ ‘Wat is zijn kracht?’ ‘Vraag maar.’
Hij zegt: ‘Meester, wat is je kracht?’ en geeft geen antwoord.
Hij zegt: ‘Is het geen antwoord geven?’ en geeft geen antwoord.
Hij zegt: ‘Is het beter om geen antwoord te geven?’ en geeft geen antwoord.
Hij zegt: ‘Tot morgen dan maar weer’, en antwoordt: ‘Dat zien we dan wel weer.’
Ten slotte zegt hij: ‘Meester, was jij dat?’ maar hij geeft geen antwoord meer.
12.5
Monnik: Wat zegt u iedere morgen tegen uzelf?
Meester: Niets.
Monnik: Omdat u niets te zeggen heeft?
Meester: Omdat ik toch niet luister.
Monnik: Is dat een keus of overkomt het u?
Meester: Ik zeg niks.
Monnik: Waar luistert u wel naar?
Meester: Of het gras groeit.
Monnik: Hoe klinkt groeiend gras?
Meester: Als een zacht gesis.
Monnik: Ik hoor niks.
Meester: Sst.
12.6
Monnik: Ik luister naar iedereen.
Meester: Ik allang niet meer.
Monnik: Ik luister alleen nog naar mensen die het kunnen weten.
Meester: Ik allang niet meer.
Monnik: Ik luister alleen nog naar de Boeddha.
Meester: Ik allang niet meer.
Monnik: Ik luister alleen nog naar mezelf.
Meester: Ik allang niet meer.
Monnik: Ik luister alleen nog naar het zelf.
Meester: Ik allang niet meer.
Monnik: Ik luister alleen nog naar mensen die niet weten.
Meester: Ik allang niet meer.
Monnik: Ik luister naar niemand meer.
Meester: Ik allang niet meer.
12.7
Monnik: Leg het me alstublieft nog één keertje uit.
Meester: Bekijk het maar.
Monnik: Waarom?
Meester: Wat ik ook zeg, jij gaat ermee aan de haal.
Monnik: Gaat het erom nergens mee aan de haal te gaan?
Meester: Zie je wel?
Monnik: Zag ik het maar.
Meester: Jij denkt dat er iets te zien is.
Monnik: Bedoelt u dat er niets te zien is?
Meester: Zie je wel?
Monnik: Dan zeg ik wel niks meer.
Meester: Ik moet het nog zien.
Monnik: …
Meester: Niet slecht.
Monnik: Gaat het erom te zwijgen?
12.8
Monnik: Ik erken geen andere autoriteit dan mezelf.
Meester: Ik erken niet eens mezelf.
Monnik: Niet als autoriteit of niet als persoon?
Meester: En niet als non-autoriteit of non-persoon.
Monnik: Wat is dan uw laatste toetssteen?
Meester: Waarmee wou je die dan toetsen?
Monnik: Monnik: Wat als we die niet toetsen?
Meester: Dan blijft alles ongetoetst.
12.9
Monnik: Wat is de taak van de leraar volgens u?
Meester: Abyssus abyssum invocat.
Monnik: Wat betekent dat?
Meester: De ene afgrond roept tot de andere.
12.10
Monnik: Waar vind ik de kennis zonder leraar?
Meester: Bij een leraar zonder kennis.
Monnik: Kent u iemand zonder kennis?
Meester: Jij bent iemand zonder kennis.
Monnik: Hoe komt het dat ik dat niet weet?
Meester: Doordat je nog van alles weet.
Monnik: Ben ik daarom nu uw leerling?
Meester: Ook al heb ik dan geen lering.
12.11
Monnik: U bent het licht in mijn leven!
Meester: Het dwaallicht, zul je bedoelen.
Monnik: Voor u ga ik door het vuur!
Meester: Loop er liever omheen.
Monnik: Ik volg u desnoods tot in de hel!
Meester: Zelfs daarheen weet ik de weg niet.
Monnik: U bent het licht in mijn leven!
12.12
Monnik: Wat is het verschil tussen een slechte leraar, een matige en een goede?
Meester: Een slechte leraar zadelt je op met zijn ideeën en idealen.
Monnik: En een matige?
Meester: Die zadelt je nergens mee op.
Monnik: En een goede?
Meester: Die zadelt je af.
Monnik: Bent u een slechte leraar, een matige of een goede?
Meester: Ik moet er niet aan denken.
12.13
Monnik: Wat is het verschil tussen een slechte leraar en een goede?
Meester: Een slechte leraar staat je altijd bij.
Monnik: En een goede leraar?
Meester: Die valt je altijd af.
Monnik: Wat is het verschil tussen een slechte leerling en een goede?
Meester: Een slechte leerling zoekt altijd een slechte leraar.
Monnik: En een goede leerling?
Meester: Die valt zijn leraar altijd af.
12.14
Monnik: Wat is de overeenkomst tussen een slechte leraar en een slechte leerling?
Meester: Dat ze elkaar blij maken.
Monnik: Wat is de overeenkomst tussen een goede leraar en een goede leerling?
Meester: Dat ze elkaar vrij maken.

