koan 19 – De gewone geest is de weg
‘Wat is de weg?’ vroeg Zhaozhou.
‘De gewone geest is de weg’, antwoordde meester Nanquan.
‘Dan zal ik me daaraan vasthouden.’
‘Door eraan vast te houden raak je ervan gescheiden.’
‘Dat snap ik niet’, zei Zhaozhou.
‘De weg is geen kwestie van begrijpen of niet-begrijpen. Begrip is maar een tekening, onbegrip een vel papier. De weg is als de ruimte zelf: helder en leeg, goed noch slecht.’
Bij deze woorden zag Zhaozhou het licht.

19.1
Monnik: Wat is de weg?
Meester: Waarheen?
Monnik: Bedoelt u dat we er al zijn?
Meester: Waar zijn?
Monnik: Bedoelt u dat we niet zijn?
Meester: Iets niet zijn of er niet zijn?
Monnik: Is vragen de weg?
Meester: Hoezo?
Monnik: Of zijn we al onderweg?
Meester: Wat is de weg?
19.2
Monnik: De gewone geest is de weg.
Meester: Reactionaire opvatting.
Monnik: Wat zou u zeggen?
Meester: De gewone geest is weg.
Monnik: Wat is ervoor in de plaats gekomen?
Meester: Is hij er ooit geweest?
Monnik: De oorspronkelijke geest? De grote geest? De algeest?
Meester: Die zijn er allemaal geweest.
Monnik: En dat zou de weg zijn?
Meester: Weg is weg.
Monnik: Wonderlijk zeg.
Meester: En zo gewoon.
19.3
Aan allen die de gewone geest hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.
Aan allen die de universele geest hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.
Aan allen die de lege geest hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.
Aan allen die de niet-geest hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.
Aan allen die de weetnietgeest hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.
Aan allen die het verder gaan hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.
Aan allen die het voorbijgaan hebben gerealiseerd: Verder, verder, almaar verder, zelfs het voorbijgaan voorbij.
Aan allen die het realiseren voorbij zijn: Hèhè.
19.4
Monnik: De weg is geen kwestie van weten of niet-weten.
Meester: Jij kan het weten of niet-weten.
Monnik: Weten is een illusie…
Meester: Weet je dat of is het een illusie?
Monnik: En niet-weten is domheid.
Meester: Is dit domheid of niet-weten?
Monnik: Wat denkt u?
Meester: Misschien is weten wel domheid en niet-weten een illusie.
Monnik: Daar zegt u zo wat.
Meester: Misschien is weten domheid en niet-weten wijsheid.
Monnik: Waarom ook niet.
Meester: Misschien is weten wijsheid en niet-weten wijsheid zonder wijsheid.
Monnik: Dat kan ook nog.
Meester: Misschien getuigt het van domheid om weten of niet-weten domheid te noemen.
Monnik: Wie zal het zeggen.
Meester: Misschien maakt het doorzien van de illusie wel deel uit van de illusie.
Monnik: Aan die mogelijkheid had ik nog niet gedacht.
Meester: Misschien getuigt het van domheid om onderscheid te willen maken tussen illusie en werkelijkheid, weten en niet-weten, domheid en wijsheid.
Monnik: Ja, wie weet.
Meester: Of misschien getuigt het van domheid om ieder onderscheid ter discussie te stellen.
Monnik: Daar is ook iets voor te zeggen.
Meester: Of misschien getuigt het allemaal nergens van.
Monnik: Of overal van.
Meester: Of alleen van zichzelf.
Monnik: Of alleen van het zelf.
Meester: Of alleen van je gedachten.
Monnik: Of is dat ook maar een gedachte?
Meester: Of is dat ook maar een gedachte?
Monnik: Zullen we het ooit weten?
Meester: Ik zou het echt niet weten.
Monnik: De weg is geen kwestie van weten of niet-weten.
19.5
Monnik: Niet-denken is de weg.
Meester: Zou je denken?
Monnik: De weg is als de ruimte zelf.
Meester: Was dat niet een categorie van het verstand?
Monnik: De ruimte is helder en leeg.
Meester: Dan weer troebel en vol.
Monnik: Ze is goed noch slecht.
Meester: Maar heeft ruimte voor beide.
Monnik: Waar niet gedacht wordt is alles weg.
Meester: Waar laten we dan zo gauw de weg?
Monnik: Waar niet gedacht wordt, heerst de gewone geest.
Meester: Waar de gewone geest heerst, wordt gedacht.
Monnik: Waar wordt er eigenlijk niet gedacht?
Meester: Niet-denken is zo weer weg.
19.6
Monnik: Wat is de weg?
Meester: Daar gaan we weer.
Monnik: Het leven van alledag is de weg.
Meester: Wat doe je dan hier?
Monnik: Oefenen natuurlijk.
Meester: Voor het leven van alledag?
Monnik: Klinkt belachelijk.
Meester: Ik wou het niet zeggen.
Monnik: Wat moet ik anders oefenen?
Meester: Wie zegt dat je moet oefenen?
Monnik: Wat doe ik hier anders?
Meester: Vragen stellen?
Monnik: Wat is dan de weg?
Meester: Jij met je weg.
Monnik: Ik wil wat doen.
Meester: Je doet niet anders.
Monnik: Dan wil ik wat laten.
Meester: Je kan niet anders.
Monnik: Wat laat ik dan?
Meester: Alles wat je niet doet.
Monnik: Dat is zowat alles.
Meester: En alles wat je doet.
Monnik: Ik laat alles wat ik doe?
Meester: Je laat het doen zijn gang gaan.
Monnik: Waarom weet ik dat dan niet?
Meester: Dat komt doordat je zoveel weet.
Monnik: Ik wil zelf wat doen.
Meester: Wat doe je eraan.
Monnik: Ik wil wat leren.
Meester: Leer dat dan maar af.
Monnik: Ik wil ergens heen.
Meester: Je bent al ergens.
Monnik: Ik wil hier weg.
Meester: Wat is de weg?
19.7
Maandag
Monnik: U bent de koninklijke weg naar…
Meester: Troonsafstand.
Dinsdag
Monnik: U bent de rijksweg naar…
Meester: Niemandsland.
Woensdag
Monnik: U bent de spoorweg naar de…
Meester: Dwarsligger.
Donderdag
Monnik: U bent de levensweg naar het…
Meester: Graf.
Vrijdag
Monnik: U bent de snelweg naar de…
Meester: File.
Zaterdag
Monnik: U bent de weg die…
Meester: Doodloopt.
Zondag
Monnik: U bent…
Meester: Jij bent…

