Koan 6 –
Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg rolde Boeddha een bloem heen en weer tussen duim en wijsvinger. Mahakashyapa glimlachte. Boeddha verklaarde: Dit is het wijsheidsoog, de geest van nirwana, de vorm zonder vorm, de poortloze poort van de leer. Niet over te dragen door woorden, alleen van hart tot hart. Mahakashyapa is mijn opvolger.
6.1 Bloemenkinderen
Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg rolde Boeddha een bloem heen en weer tussen duim en wijsvinger. Iedereen glimlachte. Boeddha dacht bezorgd: Met mijn opvolging zit het wel goed, maar waar halen we nog leerlingen vandaan?
6.2 Droogbloemen
Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg rolde Boeddha een bloem heen en weer tussen duim en wijsvinger. Niemand glimlachte. Boeddha dacht bezorgd: Hoe moet het nu verder? Dat was nergens voor nodig. Werkelijk iedereen nam het van hem over, en zo is het nog steeds.
6.3 Onverbloemd
Tijdens een bijeenkomst op de Gierberg rolde Boeddha een bloem heen en weer tussen duim en wijsvinger. Hij zei: Dit is niet het wijsheidsoog, niet de geest van nirwana, niet de vorm zonder vorm en niet de poortloze poort van de leer. Mahakashyapa keek hem verbijsterd aan. Dit is een bloem, verklaarde Boeddha, mooi hè?
6.4 Laatbloeier
Shakyamuni Boeddha beëindigde zijn zoveelste slaapverwekkende toespraak met de gebruikelijke woorden: ‘Dit is het wijsheidsoog, de geest van nirwana, de vorm zonder vorm, de poortloze poort van de leer. Niet over te dragen door woorden, alleen van hart tot hart.’
Mahakashyapa plukte een bloem en rolde hem heen en weer tussen duim en wijsvinger.
Er viel een pijnlijke stilte waar geen eind aan kwam. Ten slotte begon de Boeddha te glimlachen. Eerst zuinig, toen steeds breder, tot hij zat te stralen als de morgenster.
De Boeddha stond hij op, boog diep voor Mahakashyapa en verklaarde: ‘Ik neem alles terug wat ik ooit gezegd heb. Ik verontschuldig me voor de loze soetra’s en shastra’s, talrijk als de zandkorrels van de Ganges, die de komende millennia uit mijn naam zullen worden geschreven. Allemachtig, wat heeft u lang op dit moment moeten wachten, wat heb ik uw geduld op de proef gesteld. Voor eeuwig sta ik bij u in het krijt, als er iets is als eeuwigheid.’ Hij boog nog een keer en zei: ‘Dit zijn mijn laatste woorden.’
En waarachtig, het waren zijn laatste woorden.
6.5 Vredestokers
Midden op de weg stond een meisje dat een klaproos heen en weer rolde tussen haar duim en wijsvinger. Piepend en krakend kwam de kilometers lange colonne van tanks, pantservoertuigen en transportwagens, elk voorzien van het gouden monogram van de Boeddha, tot stilstand.
Het kind liep naar het voorste voertuig, ging op haar tenen staan en stak de bloem in de loop van het kanon. Haar dunne blonde haren wapperden in de wind.
Bovenop de tank ging een klep open en daar verscheen het rode hoofd van de opperbevelhebber. Met overslaande stem riep hij: ‘Zo brengt een enkele bloem het ganse mahayana-apparaat tot stilstand!’
Hij pinkte een traantje weg, snoot luidruchtig zijn neus in zijn handen, veegde ze af aan zijn uniform en verdween in de ingewanden van het grote voertuig, de klep met een klap achter zich dichttrekkend.
Piepend en krakend en blauwe rookwolken uitbrakend kwam de colonne weer in beweging. Het kind kon nog maar net op tijd wegspringen.
De volgende ochtend barstte het vrijheidsoffensief in alle hevigheid los.
6.6 Raden maar
Een monnik vroeg: ‘Wat is de leer?’
Boeddha plukte een bloempje.
De monnik vroeg: ‘Is het bloemen plukken?’
Boeddha liet het bloempje tussen duim en wijsvinger heen en weer rollen.
De monnik vroeg: ‘Is het bloemen rollen?’
Boeddha liet het bloempje op de grond vallen.
De monnik raapte het op en liet het tussen duim en wijsvinger heen en weer rollen.
Boeddha glimlachte.
De monnik vroeg: ‘Is het glimlachen?’
Boeddha zweeg.
‘Is het zwijgen?’
Boeddha schudde zijn hoofd.
‘Is het ontkennen?’
Boeddha reageerde niet.
‘Is het zitten?’
Boeddha stond op en rekte zich geeuwend uit.
De monnik stond op en rekte zich geeuwend uit.
Boeddha slenterde weg.
De monnik vroeg: ‘Is het je neus achterna lopen?’
Boeddha verdween in het struikgewas.
De monnik liep hem achterna maar zag hem nergens meer. Hij riep: ‘Is het spoorloos verdwijnen?’ Wild keek hij om zich heen.
Plotseling sloeg de monnik met zijn vuist in zijn handpalm. Hij riep: ‘Geeft niks, man!’ Hij schreeuwde: ‘Ik weet het toch ook niet!’
Uit de struiken klonk een oorverdovende stilte.
6.7 Sjakie in z’n nakie
Een boeddhistische non droomde dat ze Zijne Heiligheid Shakyamuni Boeddha ontmoette. De non boog diep voor Zijn Aangezicht, zeggende: O, Gezegende!
De Gezegende zei nors: Ken ik niet.
De non zei: Ach, Zijne Hoogheid wil natuurlijk liever de Boeddha genoemd worden.
De Boeddha zei: Niet zo formeel alsjeblieft.
De non zei: Shakyamuni dan?
Shakyamuni, iets toeschietelijker: Mijn vrienden noemen me Sjaak.
De non zwijmelde: O Sjaak.
Sjaak zei: Laat dat ‘o’ ook maar weg.
De non zei: Zoals je wilt, jongen.
Sjaak zei: Weet je wat, noem me maar Sjakie.
De jonge vrouw giechelde: Sjakie in z’n nakie.
Sjakie zei: Laten we nu niet op de feiten vooruitlopen.
Het meisje zei: Laten we er liever bij gaan zitten.
Sjakie zei: Hoe heet jij?
Het meisje zei: Anita.
Sjakie, dromerig: Sjakie en Anita…
Anita: Ik zou wát graag een bloemetje voor je plukken.
Sjakie: Dan doe je dat toch lekker.
Anita: Echt waar?
Sjakie plukte een madeliefje, rolde het heen en weer tussen duim en wijsvinger.
Anita: Ik heb beloofd alle levende wezens te redden.
Sjakie: Wat?
Anita: Dat moest.
Sjakie: Van wie?
Anita: Van u.
Sjakie: Jou.
Anita: Van jou.
Sjakie: Ik ken je niet eens.
Anita: Jij hebt daartoe opgeroepen.
Sjakie: Hè?
Anita: Niet dan?
Sjakie: Het zou me verbazen.
Anita: Hoezo?
Sjakie: Wie kent het verschil tussen leven en dood.
Anita: Dat hoeft het redden toch niet in de weg te staan?
Sjakie: Waaruit?
Anita: Uit het lijden natuurlijk.
Sjakie: Welk lijden?
Anita: Heb jij niet gezegd dat het leven lijden is?
Sjakie: Had ik zeker een kater.
Anita: Zo luidt jouw eerste Edele Waarheid.
Sjakie: IJdel?
Anita: Nee, edel.
Sjakie: Hoe dan?
Anita: Leven is lijden.
Sjakie: En dat zou ik gezegd hebben?
Anita: Zo staat het geschreven.
Sjakie: Wie kent het verschil tussen leed en vreugde.
Anita: Dus u hebt inderdaad het lijden overwonnen?
Ze pakte een pen en een opschrijfboekje uit haar tas en begon driftig te schrijven.
Sjaak: Volgens mij zie jij ze vliegen.
Anita: De eerste edele waarheid stelt ondubbelzinnig dat…
Shakyamuni zei: Wie kent het verschil tussen waarheid en leugen.
De non zei: Nou?
Shakyamuni B. trok handenvol madeliefjes uit de grond. De non begon weer te pennen. De boeddha zei: Wat zit je toch te doen?
De non zei: Opschrijven.
De boeddha zei: Wat dan?
De non las voor: Wie kent het verschil tussen waarheid en leugen.
De Boeddha keek haar onderzoekend aan. Eindelijk ging hem een lichtje op. Er verscheen een brede glimlach op het gezicht van de Verlichte.
Gretig zei de non: Mijn koninkrijk voor uw gedachten.
De Gezalfde stelde zijn lach ietsje neerwaarts bij.
De non zei: Ik zie u ziet wat ik niet zie.
Subtiel was de glimlach van de Gezegende nu, prikkelend en geheimzinnig tegelijk.
De rest van de droom zat de non met haar pen in de aanslag terwijl Zijne Heiligheid zweeg als het graf.

