Koan 3 – Hoe de bediende zijn vinger verloor
Steeds als je meester Juzhi iets vroeg over zen, stak hij zonder iets te zeggen een vinger op. Op een dag kon een bezoeker de meester nergens vinden en wendde hij zich tot de jongste bediende met de vraag: ‘Wat is het dat je meester onderwijst?’ De jongen stak zonder iets te zeggen een vinger op.
Toen Juzhi ervan hoorde, liet hij de bediende halen en sneed zonder pardon diens vinger af. Schreeuwend rende de jongen weg. Juzhi riep hem na en toen hij achterom keek stak de meester een vinger op. Plotseling ging de bediende een lichtje op.
Vlak voor Juzhi stierf, riep hij de monniken bijeen. Hij zei: ‘Ik dank mijn vingerzen aan wijlen mijn meester Tianlong en het werkt nog steeds.’

3.1 Lobbes
Steeds als iemand wat zei, stak de nieuwe meester zwijgend een vinger op. Binnen een week lachten alle monniken hem uit, binnen een maand deden ze hem allemaal na en binnen een jaar waren ze allemaal vertrokken. Alleen Wu, de oude kloosterhond, kwam trouw iedere dag de kommetjes van de meester uitlikken en op zijn zitkussen pissen.
3.2 Oog om oog
Steeds als je hem iets vroeg, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op. Op een dag stelde de jongste bediende hem met opgeheven vinger een vraag en liep weg zonder op antwoord te wachten. Eindelijk ging de meester een lichtje op.
3.3 Tand om tand
Regelmatig beklaagden de monniken zich bij de hoofdmonnik over het fantasieloze onderricht van de meester. ‘Wacht maar,’ zei hij, ‘Ik zal hem weleens aan de tand voelen.’
De hoofdmonnik zocht hem op en vroeg: ‘Hoeveel ballen heeft een os?’ De meester stak een vinger op. ‘Hoeveel benen heeft een ros?’ De meester stak een vinger op. ‘Hoeveel druiven heeft een tros?’ De meester stak een vinger op. ‘Hoeveel bomen heeft een bos?’ De meester stak een vinger op. ‘Al uw tanden zitten los.’ Geschrokken voelde de meester in zijn mond. ‘1 april’, zei de hoofdmonnik en stak een vinger op.
Sindsdien heeft de meester nooit meer een vinger opgestoken.
3.4 Voor de vuist weg
Steeds als je hem een vraag stelde over zen, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op. De jongste bediende begon hem hierin na te doen.
Op een dag riep de meester de jongen bij zich en sneed zomaar zijn eigen middelvinger af. Schreeuwend rende de bediende weg. De meester riep hem na en toen de jongen achterom keek, stak de meester zijn bloedende vuist in de lucht. Plotseling zag de bediende het licht.
Die avond riep de meester iedereen bij zich. Hij zei: Ik dank mijn vingerzen aan m’n oude leraar, maar het is mijn jongste leerling die me liet zien dat het ook zonder kan.
3.5 Doorgeslagen
‘Alles is één’, zei een monnik, en stak een vinger op. ‘Een arm is geen been’, riposteerde de meester. ‘Alles is één’, zei de monnik weer, en stak een vinger op. ‘Een voet is geen teen’, antwoordde de meester. ‘Alles is één’, zei de monnik nogmaals, en stak een vinger op. De meester sloeg hem vol op zijn kin en de monnik zakte bewusteloos ineen. ‘Die is wel even uitgeteld’, zei de meester en slaakte een zucht van verlichting.
‘Alles is één’, sliste de monnik toen hij bijkwam, en stak een vinger op. Er flitste een zwaard en de vinger viel op de grond. ‘Alles gaat voorbij’, zei de meester, veegde zijn zwaard af aan de pij van de monnik en stak het terug in de schede.
3.6 Buiten de geschriften om
Steeds als je hem een vraag stelde, stak de meester zonder iets te zeggen een vinger op. Toch zat zijn klooster altijd vol. Met die ene vinger bracht hij heel wat monniken tot bezinning.
Aan het eind van zijn leven riep de meester zijn leerlingen en oud-leerlingen bijeen voor een laatste toespraak, zowat duizend mensen zonder rang of dwang. Hij stak zijn vinger op en verklaarde:
‘Ik weet niets van de boeddha of de dharma. Nooit heb ik transmissie ontvangen. Mijn meester en zijn meester en diens meester – mijn hele stamboom heb ik uit m’n duim gezogen. Het enige waarover ik beschik is deze vinger.
Ongelooflijk! Veertig jaar lang heb ik hiermee iedereen de mond kunnen snoeren. Velen voorgoed, meer dan enig ander meester in dit tijdgewricht. Maar zeg eens, wie bedroog nu wie?’
Hij boog en trok zich terug in zijn vertrekken. De gasten bogen en trokken zich terug in hun gedachten.
3.7 Met de natte vinger
Steeds als je hem een vraag stelde over zen, plukte de meester een bloem en rolde die net als de Boeddha heen en weer tussen duim en wijsvinger. Dat werkte goed, tot de winter aanbrak en er geen verse bloemen meer waren.
Op een dag kwam de meester op het idee om zijn vingers in z’n oren te steken. Algauw begonnen de monniken tegen hem te schreeuwen om toch gehoord te worden.
Daarop ging hij ertoe over een vinger tegen zijn lippen te houden. Dat werkte beter en de meester was zo opgelucht dat hij spontaan begon te glimlachen.
Steeds vaker vergat hij zijn vinger op zijn lippen te leggen en glimlachte hij alleen nog maar als hij werd aangesproken. Sommige monniken glimlachten terug, andere hielden hele verhandelingen die hij met opgetrokken mondhoeken aanhoorde.
Gaandeweg vergat de meester te glimlachen. Hij luisterde zwijgend, mompelde wat, staarde glazig uit het raam, stond op, slofte naar de voorraadkast of naar buiten om pas uren later terug te keren.
Monniken kwamen en gingen, blij of boos, opgelucht of teleurgesteld, er gebeurde wat er gebeurde en er gebeurde niets.
Ten slotte ging de meester dood en kwam er een nieuwe. Steeds als je hem een vraag stelde over zen, plukte hij een bloem en rolde die net als de Boeddha heen en weer tussen duim en wijsvinger.

