Koan 7 – Na het eten je schaaltjes afwassen
Een monnik zei tegen meester Zhaozhou: ‘Ik ben nieuw hier, kunt u mij onderricht geven?’
‘Heb je al gegeten?’ vroeg Zhaozhou.
‘Jazeker’, zei de monnik.
‘Ga dan je schaaltjes maar afwassen.’
Op dat moment zag de monnik het licht.
7.1 Trappen van verlichting
Een monnik zei: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Op dat moment zag de monnik het licht.
Een monnik zei: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Monnik: Niet?
Meester: Al klaar.
Op dat moment zag de monnik het licht.
Een monnik zei: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Monnik: Niet?
Meester: Al klaar.
Monnik: Ik snap het niet.
Meester: Kun jij mij onderricht geven?
Op dat moment zag de monnik het licht.
Een monnik zei: Kunt u mij onderricht geven?
De meester haalde zijn schouders op.
Monnik: Niet?
Meester: Al klaar.
Monnik: Ik snap het niet.
Meester: Kun jij mij onderricht geven?
Monnik: Ik denk het wel.
Meester: Dan zal dat het verschil wel zijn.
Op dat moment zag de monnik het licht.
7.2 Trappen van verduistering
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al gegeten?
Monnik: Ga dan je schaaltjes maar afwassen, wou u zeggen.
Op dat moment zag de meester het licht.
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al gegeten?
Monnik: Ga dan je schaaltjes maar afwassen, wou u zeggen.
Meester: Hoe weet jij dat?
Monnik: Ben ik daarvoor bij Zhaozhou weggegaan.
Op dat moment zag de meester het licht.
Meester: Heb je al gegeten?
Monnik: Ik heb gegeten, gedronken en afgewassen.
Meester: Ga dan je schaaltjes maar afwassen.
Monnik: Ja, wat zeg ik nou.
Meester: Ja, dat was mijn zin.
Monnik: Wat is dit, een toneelstukje?
De meester begon over zijn hele lichaam te zweten.
Hij zei: Wil je mij onderricht geven?
Ga eerst uw pij maar wassen, antwoordde de monnik.
7.3 Ervaringsdeskundige
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Vraagt u me nu of ik al een verlichtingservaring heb gehad?
Meester: Ervaringen zijn zo voorbij.
Monnik: Alles is één.
Meester: Hoe stel je zoiets vast?
Monnik: Dat heb ik herhaaldelijk ervaren.
Meester: Dus?
Monnik: Moet het wel zo zijn.
Meester: Want?
Monnik: Anders had ik nooit eenheid kunnen ervaren.
Meester: Heb je op dit moment een verlichtingservaring?
Monnik: Nee.
Meester: Hoe weet je dat?
Monnik: Alles is onderscheiden.
Meester: Je hebt een veelheidservaring.
Monnik: Zoiets ja.
Meester: Heb je die wel vaker?
Monnik: Toegegeven.
Meester: Hoe vaak?
Monnik: Bijna onophoudelijk.
Meester: Dan is alles niet één.
Monnik: Want?
Meester: Anders had je nooit veelheid kunnen ervaren.
Monnik: Wat een logica.
Meester: Ik wou het niet zeggen.
Monnik: Noem dat maar onderricht.
Meester: Noem het dan maar ontbijt.
Monnik: U brengt me alleen maar in verwarring.
Meester: Ga dan je schaaltjes maar afwassen.
7.4 Feitloze feiten
Monnik: Alles is één.
Meester: Hoe weet je dat?
Monnik: Ik heb een mystieke ervaring gehad.
Meester: En?
Monnik: Als het ene niet bestaat kun je het ook niet ervaren.
Meester: Bestaan fata morgana’s?
Monnik: Hè? Oh…
Meester: Nou?
Monnik: Wel als waarneming, niet als werkelijkheid.
Meester: Bestaan hallucinaties?
Monnik: Wel als verschijnsel, niet als werkelijkheid.
Meester: Bestaan dromen?
Monnik: Wel als beleving, niet als werkelijkheid.
Meester: Zijn fata morgana’s, hallucinaties en droombeelden soms geen ervaringen?
Monnik: Jawel.
Meester: En wat bewijzen die ervaringen?
Monnik: Dat ze… zich voordoen.
Meester: En verder?
Monnik: Dat je ze… kunt ervaren.
Meester: En verder?
Monnik: Verder niets, ben ik bang.
Meester: Waarom mystieke ervaringen dan wel?
Monnik: Bedoelt u dat mystieke ervaringen een soort hallucinaties zijn?
Meester: Hoe stel je zoiets vast?
Monnik: Een duidelijk antwoord graag.
Meester: Het is maar net aan wie je het vraagt.
Monnik: Mensen zijn het er nog steeds niet over eens.
Meester: Nee.
Monnik: Al praten ze er al duizenden jaren over.
Meester: Ja.
Monnik: Misschien is alles toch niet één.
Meester: Hoe weet je dat?
7.5 Wasserette
Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring afgewassen.
Meester: Ga dan je leegte maar afwassen.
Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring en mijn leegte afgewassen.
Meester: Ga dan het afwassen maar afwassen.
Monnik: Ik heb mijn verlichtingservaring, mijn leegte en het afwassen afgewassen.
Meester: Dan zul je wel honger hebben.
7.6 Nuchter
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Heb je al ontbeten?
Monnik: Bedoelt u dat het leven van alledag de weg is?
Meester: Het niet-alledaagse hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat ik niet zoveel vragen moet stellen?
Meester: Vragen stellen hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat ik niet moet streven?
Meester: Streven hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat we allemaal al verlicht zijn?
Meester: Denken dat we allemaal al verlicht zijn hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat we niet allemaal of allemaal niet verlicht zijn?
Meester: Denken dat we niet allemaal of allemaal niet verlicht zijn hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat alles erbij hoort?
Meester: Denken dat alles erbij hoort, hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat niet alles erbij hoort?
Meester: Denken dat niet alles erbij hoort, hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat ik niet moet denken?
Meester: Denken dat je niet moet denken hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat ik minder moet denken?
Meester: Denken dat je minder moet denken hoort er ook bij.
Monnik: Ik bedoel, eten als je honger hebt en slapen als je moe bent?
Meester: Denken dat dat alles is hoort er ook bij.
Monnik: Bedoelt u dat er toch meer is onder de zon?
Meester: Zeg, ik blijf niet aan de gang.
Monnik: Wat hoort er eigenlijk niet bij?
Meester: Waarbij?
Monnik: Volgens mij moet ik mijn schaaltjes nog afwassen.
Meester: Als dat alles is.
Monnik: Hoezo?
Meester: Ik heb nog niet eens ontbeten.
7.7 Zenziek
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Ga eerst je schaaltjes maar afwassen.
Monnik: Probeert u mij te behoeden voor de zenziekte?
Meester: Voor de wat?
Monnik: De hoogmoed van de verlichte.
Meester: Van de wat?
Monnik: Ik doel op het gevoel van superioriteit als je je ware zelf hebt gezien.
Meester: Je wat?
Monnik: Als je de persoon hebt doorzien, bedoel ik.
Meester: Wie zou dat dan gedaan moeten hebben?
Monnik: Als je je boeddhanatuur hebt gerealiseerd.
Meester: Zei de projectontwikkelaar.
Monnik: De zenziekte betekent gek doen om te bewijzen dat je de illusie hebt doorzien.
Meester: Wou jij beweren dat je de illusie hebt doorzien?
Monnik: In alle bescheidenheid…
Meester: Misschien is het geloof in de zenziekte zelf wel een symptoom van de zenziekte.
Monnik: Hè?
Meester: Zeker weten dat het doorzien van de illusie geen deel uitmaakt van de illusie?
Monnik: Uh…
Meester: Ik was er al bang voor.
Monnik: Kunt u mij onderricht geven?
Meester: Ga eerst je mond maar uitspoelen.
7.8 Huishoudschool
Monnik: Ik ben nieuw hier.
Meester: En?
Monnik: Ik heb nog niet ontbeten…
Meester: Zeker bij Zhaozhou gezeten.
Monnik: Laat staan dat ik mijn schaaltjes heb afgewassen.
Meester: Die vent is een huishoudschool begonnen.
Monnik: De dag begint nu eenmaal met een ontbijt.
Meester: Je hebt heel wat van hem opgestoken.
Monnik: Waarom zou je anders je schaaltjes afwassen?
Meester: Ik wil er wel even in tuffen.
Monnik: Bedoelt u dat het daar niet om gaat?
Meester: Waarom gaat?
Monnik: Eten. Afwassen.
Meester: Ik heb geen idee waar het om gaat.
Monnik: Doen wat er gedaan moet worden.
Meester: Ik heb geen idee wat er gedaan moet worden.
Monnik: Hoe bepaalt u dan wat er gedaan moet worden?
Meester: Alsof dat eerst door mij bepaald moet worden.
Monnik: Waar gaat het dan wel om?
Meester: Alsof het ergens om gaat.
Monnik: Bedoelt u dat het nergens om gaat?
Meester: Je legt me van alles in de mond.
Monnik: Tja, als u het niet doet…
Meester: En het smaakt allemaal even laf.
Monnik: Wat ben ik, de kok?
Meester: Wat ben ik, zijn maatje?
Monnik: Ik ben nieuw hier.
Meester: En?

