Sommige kinderen worden geboren in een verhaal dat al begonnen is.
Dat klinkt vreemd, want ieder kind komt nieuw ter wereld. Toch ligt er soms al iets klaar. Een verwachting. Een verdriet. Een gemis. Een opdracht die niemand hardop uitspreekt, maar die wel voelbaar is.
Een kind kan bijvoorbeeld geboren worden na een moeilijke periode in het gezin. Na verlies, ziekte, scheiding, depressie, financiële zorgen of jaren van spanning. Ouders kunnen dan, vaak zonder het zelf te beseffen, iets van hun hoop op dat kind leggen. Dit kind moet nieuw leven brengen. Licht. Vreugde. Herstel. Misschien zelfs: het gezin weer heel maken.
Niemand zegt dat zo letterlijk. Geen ouder zet bewust een baby op de wereld met de opdracht: jij moet ons redden. Toch kan een kind al vroeg voelen dat er iets van hem of haar wordt verwacht.
Het leert lachen als de sfeer zwaar is. Rustig zijn als er spanning is. Troosten, zorgen, bemiddelen, presteren of vooral niet tot last zijn. Niet omdat iemand dat beveelt, maar omdat het kind aanvoelt: zo blijf ik verbonden. Zo hoor ik erbij.
Een kind doet dan iets heel verstandigs. Het past zich aan.
Het wordt lief. Of sterk. Of behulpzaam. Het gaat zorgen. Bemiddelen. Hard werken. Niet te veel vragen. Niet boos worden. Niet moeilijk doen.
Van buiten lijkt dat vaak mooi. Wat een verstandig kind. Wat een sterke jongen. Wat een zorgzaam meisje. Wat een vrolijk kind. “Je hebt er geen kind aan.”
Maar vanbinnen kan iets anders gebeuren. Het kind leert: ik ben veilig en verbonden als ik mij aanpas. Ik krijg liefde als ik geef wat nodig is. Ik hoor erbij als ik niet te veel ruimte inneem.
In het boek dat wij schreven, noemen wij dit het ontstaan van de overlever. Dat woord klinkt zwaar, maar het verwijst naar iets heel menselijks. Ieder mens heeft een deel in zich dat probeert te voorkomen dat we worden afgewezen, verlaten, beschaamd of overweldigd.
Daarbij maken wij onderscheid tussen de strateeg en de overlever. De strateeg is noodzakelijk. Hij helpt ons om ons te bewegen in de wereld. Hij leert ons rekening houden met anderen, samenwerken en aanvoelen wat passend is. Zonder strateeg zouden we moeilijk kunnen samenleven.
Maar wanneer een kind zich niet veilig genoeg voelt om zichzelf te zijn, krijgt de strateeg een andere taak. Hij moet dan niet alleen helpen, maar beschermen. Aanpassen wordt dan geen vrije beweging meer, maar noodzaak. Het gaat niet meer alleen om contact, maar om overleven.
Zo kan de strateeg geleidelijk in dienst komen te staan van de overlever.
Veel mensen ontdekken dit pas in de tweede helft van hun leven. Als het werk minder centraal wordt. Als kinderen hun eigen weg gaan. Als het lichaam signalen geeft. Als een relatie schuurt. Of als er ineens een stille vraag opkomt:
waar ben ik zelf eigenlijk gebleven?
Die vraag is geen teken van mislukking. Zij kan het begin zijn van mildheid en vrijheid.
Misschien is er niets mis met ons. Misschien waren veel eigenschappen waar we onszelf later om veroordeelden ooit manieren om erbij te blijven horen. Pleasen. Controleren. Hard werken. Zorgen. Zwijgen. Sterk zijn. Niet boos worden. Vrolijk blijven. Verdwijnen.
De overlever is daarom geen vijand. Hij heeft ons geholpen. Maar bescherming die te lang de leiding houdt, kan op den duur een gevangenis worden. Wat ooit nodig was om verbonden te blijven, kan later verhinderen dat we werkelijk aanwezig zijn.
Bevrijding begint dan misschien niet met jezelf verbeteren, maar met jezelf begrijpen.
Daarom eindigt deze column niet met een conclusie, maar met een paar vragen. Niet om snel te beantwoorden. Wel om even bij stil te staan.
Welke rol kreeg jij vroeger, zonder dat iemand dat misschien hardop zei?
Moest je sterk zijn, lief zijn, verstandig, grappig, succesvol, zorgzaam of rustig?
Moest jij licht brengen in een zwaar gezin?
Moest jij ervoor zorgen dat anderen zich geen zorgen hoefden te maken?
Waar heeft die rol je geholpen?
En waar houdt diezelfde rol je nu misschien gevangen?
Misschien is dat een oefening voor de tweede helft van het leven: niet harder je best doen, maar zachter luisteren.
Naar het kind dat zich aanpaste.
Naar de overlever die nog steeds waakt.
En naar de volwassene in ons die eindelijk kan zeggen:
ik zie je.
je hebt veel gedragen.
maar we hoeven niet meer precies zo verder.
vanaf hier neem ik het stokje over.


Marc zegt
Heel mooi en goed geschreven. Bedankt voor deze uitleg en de vragen. Ze komen binnen en het doet me veel.
Doet me denken aan een mooi gesprek met iemand die ik als een mentor zie met de kwaliteiten geduld en je oordeel uitstellen. Dank voor de uitleg en het verschil tussen de strateeg en de overlever. Ik lees altijd met belangstelling uw columns. Hartelijk dank.
Erik Hoogcarspel zegt
We zijn allemaal overlevers, het ware zelf bestaat niet.
Siebe zegt
De kern van alle hartstocht en dwaling lijkt me ons intens diepe (maar toch bijkomstige) verlangen naar verbondenheid. De oplossing die de Boeddha zag, volgens mij, is dat we niet bestaan als geïsoleerd eiland en zeker niet als een onverbonden entiteit-Ik. Verlangen en begoocheling laat ons toch een onverbondenheid beleven, dat wel. Maar dit is een soort perceptuele illusie die berust op ons geloof in een Atta of zelf of entiteit-Ik.
Openheid houdt zich niet met bezig met het dramatische spel van verbondenheid en isolement/afgescheidenheid, zou Tilopa (mahamudra meester) gezegd kunnen hebben denk ik.
De behoefte aan verbondenheid, hoe normaal en menselijk ook (een baby heeft het al), houdt je in de greep als mens, vind ik. En Hoe! Dat zie ik nu wel bij mezelf. De behoefte aan verbondenheid zit als een pijl in ons hart en is ook niet los te zien van het geloof in een Atta. Ik geloof dat de Boeddha gelijk heeft en dat ook dit verlangen naar verbondenheid niet Ik is, niet mijn zelf, niet mijn zelf en berust op dwaling.
Ik wil het niet veroordelen. Alles is normaal menselijk.
Luuk Mur zegt
Dank voor jullie reacties.
Reactie op Marc: dank.
Reactie op Erik
Je schrijft: “We zijn allemaal overlevers, het ware zelf bestaat niet.”
Met het eerste ben ik het grotendeels eens. We ontwikkelen allemaal manieren om onszelf te beschermen, ons aan te passen en erbij te blijven horen. In die zin is niemand zonder overlevingspatronen.
Met “het authentieke kind” bedoelen wij echter niet een vast, onveranderlijk “ware zelf”. Dat zou inderdaad problematisch zijn, zeker vanuit boeddhistisch perspectief. Wij gebruiken het begrip psychologisch: als aanduiding voor de levende, kwetsbare en open laag in een mens die kan voelen, verlangen, spelen, rouwen, liefhebben en zich verbinden voordat de overlever alles gaat organiseren.
Reactie op Siebe
Je raakt volgens mij een belangrijk punt. Het verlangen naar verbondenheid kan ons inderdaad diep in de greep houden. Zeker wanneer het verlangen krampachtig wordt en voortkomt uit angst voor afgescheidenheid.
Tegelijk maken wij onderscheid tussen verschillende niveaus. Voor een kind is verbondenheid geen illusie, maar een levensvoorwaarde. Een kind dat zich niet veilig verbonden weet, gaat zich aanpassen, beschermen of terugtrekken. Daarover ging onze column vooral.
Op volwassen en spiritueel niveau kan vervolgens onderzocht worden of ons verlangen naar verbondenheid soms ook voortkomt uit het geloof dat we werkelijk afgescheiden zijn. Daar ligt volgens mij een interessante brug tussen psychologie en boeddhistische beoefening.
Dank dus voor de verdieping. Juist dit gesprek maakt duidelijk dat woorden als “zelf”, “authenticiteit” en “verbondenheid” zorgvuldig gebruikt moeten worden.