koan 16 – Rituele gewaden aantrekken als de klok luidt
De wereld is onmetelijk, zei meester Yunmen, waarom rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?

16.1
De tempelklok luidde.
Een monnik riep: ‘Wat is dat?’
‘De tempelklok’, riep een tweede.
‘Het luiden van de tempelklok, om precies te zijn’, riep een derde.
‘Het geluid van het luiden van de tempelklok, zul je bedoelen.’
‘Een geluid dat klinkt als het luiden van een tempelklok.’
‘Klanken die het gehoor produceert wanneer het door een bepaald patroon van luchttrillingen geprikkeld wordt.’
‘Een illusie van het brein in reactie op een inwendige of uitwendige prikkel.’
‘Een fenomeen in het bewustzijn dat de illusie wekt van materiële werkelijkheid.’
‘Een tijdelijke vorm in de eeuwige leegte.’
‘Vorm is leegte, leegte is vorm.’
‘Geen leegte, geen vorm.’
En zo gingen ze maar door.
16.2
De tempelklok luidde.
Een monnik riep: ‘Eten.’
Een tweede riep: ‘Bezoek.’
Alle monniken begonnen door elkaar te roepen: ‘Speelkwartier’, ‘Middagdutje’, ‘Studeren’, ‘Zitmeditatie’, ‘Loopmeditatie’, ‘Recitatie’, ‘Spreekverbod’, ‘Moord’, ‘Brand’, ‘Meester’, ‘Boeddha’, ‘Mara’, ‘Karaoke’, ‘Karma’, ‘Seks’, ‘Drugs’, ‘Rock ’n roll.’
Ze rolden over de grond van het lachen.
De tempelklok zweeg.
16.3
Monnik: Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?
Meester: Als alles een uitdrukking is van het ene, dan ook het aantrekken van rituele gewaden zodra de tempelklok luidt.
Monnik: Verdraaid.
Meester: Maar wie zegt dat alles een uitdrukking is van het ene?
16.4
Meester: Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?
Monnik: Als alles een uitdrukking is van het ene, dan ook het aantrekken van rituele gewaden zodra de tempelklok luidt.
Meester: Dan ook de vraag waarom je nog rituele gewaden zou aantrekken zodra de tempelklok luidt.
Monnik: Dan ook het negeren van het luiden van de tempelklok en het aantrekken van rituele gewaden zonder dat de tempelklok luidt.
Meester: Maar wie zegt dat alles een uitdrukking van het ene is?
Monnik: Waarvan zou het anders een uitdrukking moeten zijn?
Meester: Wie zegt dat alles ergens een uitdrukking van is?
Monnik: Daar vraagt u me wat.
Meester: En wie zegt dat er zoiets is als het ene?
Monnik: Wou u beweren van niet?
Meester: En dat dan weer een uitdrukking van het ene noemen, zeker.
Monnik: Betrapt.
Meester: Ik denk dat ik de tempelklok maar eens ga luiden.
Monnik: Dan trek ik vast rituele gewaden aan.
16.5
Nadat de tempelklok had geluid, trokken de monniken zo snel mogelijk hun rituele gewaden aan en verzamelden zich in de meditatiehal. Tot hun verbazing was de meester nog niet aanwezig, terwijl die gewoonlijk als eerste de hal betrad.
Tien minuten nadat de laatste monnik was verschenen, arriveerde eindelijk de meester. In plaats van rituele gewaden of een alledaagse pij droeg hij zijn adamskostuum.
De hoofdmonnik improviseerde: Als alles een uitdrukking is van het ene, waarom dan nog rituele gewaden aantrekken als de tempelklok luidt?
De monniken keken hem verbaasd aan, maar toen de hoofdmonnik zich uit begon te kleden, volgden ze aarzelend zijn voorbeeld. Ongemerkt sloop de meester weg.
Niet veel later luidde de tempelklok opnieuw en maakte de meester voor de tweede keer zijn opwachting, in vol ornaat ditmaal, onder de bibberende monniken.
16.6
Monnik: Is alles nu een uitdrukking van het ene of niet?
Meester: Wat maakt het uit.
Monnik: Ik begrijp gewoon niet waarom mensen zo blij worden van het idee dat alles een uitdrukking van het ene zou zijn.
Meester: Ik begrijp niet waarom jij je daaraan stoort.
Monnik: U niet dan?
Meester: Ik word er niet warm of koud van.
Monnik: Want wat maakt het uit.
Meester: En wat maakt het uit of het wat uitmaakt.
Monnik: Of je nu rituele gewaden aantrekt of naaktloopt.
Meester: Persoonlijk zie ik mensen liever naakt.
Monnik: Ik eerlijk gezegd ook.
Meester: Maar om dat nu een uitdrukking van het ene te noemen?
16.7
Monnik: Als de leer overal is, waarom zitten we dan in een klooster?
Meester: Als de leer overal is, waarom niet?
Monnik: Daar zegt u zo wat.
Meester: Maar wie zegt dat de leer overal is?
Monnik: In plaats van?
Meester: Nergens bijvoorbeeld.
Monnik: Als de leer nergens is, waarom zitten we dan in een klooster?
Meester: Als de leer nergens is, waarom niet?
Monnik: Daar zegt u zo wat.
Meester: Maar wie zegt dat de leer nergens is?
Monnik: In plaats van?
Meester: Overal bijvoorbeeld.
Monnik: Als de leer overal en nergens is, wat dan?
Meester: Ja, wat niet.
Monnik: En als de leer overal noch nergens is?
Meester: Ja, wat dan.
16.8
Monnik: Waarom rituele gewaden aantrekken zodra de tempelklok luidt?
Meester: Omdat X.
Monnik: Waarvoor staat X?
Meester: Wat maakt het uit.
Monnik: Want dat is de vraag.
Meester: De eerste vraag.
Monnik: Wat is de tweede vraag?
Meester: Waarom X?
Monnik: Waarom zou je dat willen weten?
Meester: Anders weet je nog niets.
Monnik: Wel, waarom X?
Meester: Omdat Y.
Monnik: Waarom Y?
Meester: Omdat Z.
Monnik: Enzovoort?
Meester: En zo terug.
Monnik: Waarom zou je dan nog waaromvragen stellen?
Meester: Omdat X.

