koan 15 – De pelgrim die geen stokslagen kreeg
Dongshan ging bij meester Yunmen in de leer. Bij het kennismakingsgesprek vroeg de meester: ‘Waar kom je vandaan?’
‘Uit Chadu.’
‘Waar heb je de zomer doorgebracht?’
‘In Baoci, een klooster in Hunan.’
‘Wanneer ben je daar vertrokken?’
‘Vijfentwintig augustus.’
‘Ik zou je drie stokslagen moeten geven, maar ik zal je sparen.’
De volgende dag zei Dongshan: ‘Gisteren heeft u mij drie stokslagen bespaard, wat deed ik dan verkeerd?’
‘Trekvogel’, riep meester Yunmen, ‘dat vliegt maar heen en weer.’
Eindelijk ging Dongshan een lichtje op.

15.1
Er was eens een monnik die nooit iets ondernam en altijd precies deed wat er van hem verwacht werd. De meester vroeg: ‘Heb je weleens een andere leraar gehad?’
‘Nooit’, zei de monnik.
‘Ben je weleens op bedevaart geweest?’
‘Nooit.’
‘Hoelang zit je nu al hier?’
‘Dertig jaar.’
‘Ik zou je dertig stokslagen moeten geven, maar ik zal je sparen.’
De volgende dag vroeg de monnik: ‘Gisteren heeft u mij dertig stokslagen bespaard, wat deed ik dan verkeerd?’
‘Nestblijver,’ riep de meester, ‘dat zit maar op zijn eieren.’
Eindelijk ging de monnik een lichtje op.
15.2
Een monnik klaagde: Leerlingen van tegenwoordig trekken van het ene klooster naar het andere, waarom zegt u daar nooit iets van?
Niet-weten is overal nabij, antwoordde de meester.
Een andere monnik klaagde: Leerlingen van tegenwoordig blijven jaar in jaar uit in hetzelfde klooster hangen, waarom zegt u daar nooit iets van?
Niet-weten is altijd nabij, antwoordde de meester.
15.3
‘Waar komt u vandaan?’ vroeg de kok.
‘Ik heb nog onderricht gehad van Linji Yixuan’, antwoordde de meester.
‘Ik bedoel, met welke keuken bent u grootgebracht?’
‘Noord, zuid, oost, west, de leer is overal.’
‘Maar wat is uw lievelingsgerecht?’
‘Voor de dharma kun je me altijd wakker maken.’
Vanaf die dag werd de meester bij iedere maaltijd overgeslagen. Na drie dagen hield hij het niet meer uit en ging hij naar de keuken om zijn beklag te doen. ‘Waarom krijg ik niets meer te eten?’
‘Vorm is leegte’, antwoordde de kok.
‘Ik sterf van de honger’, klaagde de meester en zijn maag knorde instemmend.
‘Leegte is vorm’, zei de kok.
Eindelijk ging de meester een lichtje op. ‘Eieren’, riep hij watertandend.
De kok ging meteen aan de slag.
15.4
Monnik: Waar liggen uw wortels?
Meester: In de keuken.
Monnik: Ik bedoel, aan wie bent u schatplichtig?
Meester: Lenen is voor behoeftigen.
Monnik: Wat kunt u me aanbevelen?
Meester: Wortels schrappen.
Monnik: Waar is dat goed voor?
Meester: Hutspot.
Monnik: Is schrappen soms een metafoor?
Meester: Zou best kunnen, maar waarvoor?
Monnik: Ik denk dat ik weer verder trek.
Meester: Of anders boerenkool met spek.
15.5
Meester: Ik zou je drie stokslagen moeten geven.
Monnik: Wat heb ik dan verkeerd gedaan?
Meester: Denken dat je iets verkeerd kunt doen.
Meester: Ik zou je drie stokslagen moeten geven.
Monnik: Alsof je iets verkeerd kunt doen.
Meester: Nu denk je weer van niet.
Meester: Ik zou je drie stokslagen moeten geven.
Monnik: Ik denk niet dat je iets goed of verkeerd kunt doen.
Meester: En maar denken.
Meester: Ik zou je drie stokslagen moeten geven.
Monnik: Denkt u dat nu nog steeds?
Meester: Daar zeg je me wat.
Monnik: Ik stelde alleen maar een vraag.
Meester: Ik kan mezelf wel slaan.
Monnik: Denkt u nu nog steeds dat u iemand moet slaan?
15.6
Een pelgrim meldde zich meteen na aankomst bij de meester. Waar kom je vandaan? vroeg deze.
De monnik klopte het stof van zijn pij en zei: Ik ben op veertien heilige plaatsen geweest en dit is nummer vijftien.
De meester zei: Ik zou je veertien stokslagen moeten geven, maar ik zal je sparen.
Hoe bedoelt u? vroeg de monnik.
Kilometervreter, riep de meester, dat trekt maar rond van mond tot mond.
De monnik zei: Ik kan het iedereen aanraden.
Wat heb je zoal geleerd? vroeg de meester, toch wel nieuwsgierig.
Dat geen hond de boeddhanatuur heeft. Dat je een vos wordt als je het verkeerde antwoord geeft. Dat een meester wel zijn vinger mag opsteken maar een leerling niet. Dat ikzelf wel een baard heb maar mijn ware zelf niet. Dat je nooit met je tanden aan een tak moet gaan hangen, anders val je op de generaal. Dat ook een bloem de boeddhanatuur heeft. Dat je je kommetjes schoon moet houden. Dat een kar zonder wielen niet rijdt. Dat je niet lang genoeg kunt zitten. Dat je in armoede moet leven, maar af en toe best een glaasje mag. Dat je een meester altijd begroet met een opgestoken vuist zodat hij je vingers niet kan afhakken. Dat je iedere ochtend iets aardigs tegen jezelf moet zeggen. Dat je nooit te vroeg naar de eetzaal moet gaan. Dat je beter als vos herboren kan worden dan als kat… Nou, dat is het wel zo’n beetje.
De meester vroeg: Wat heb je van mij geleerd?
Dat u stokslagen spaart, antwoordde de monnik.
De meester schoot in de lach en zei: Ik zoek een jongste bediende, wil je niet hier blijven?
Ik zou best willen, zei de monnik, maar ik heb nog drieëndertig heilige plaatsen te gaan.

