Koan 23 – Het ontilbare gewaad
Toen hij het licht gezien had, ontving de zesde zenpatriarch, Dajiang Huineng, van de vijfde patriarch, Hongren, het gewaad en de bedelnap die ooit aan de eerste patriarch, Bodhidharma toebehoorden.
Op een dag werd Huineng achternagezeten op de berg Zhiru door de ambitieuze monnik Datong Shenxiu die hem van zijn gewaad en bedelnap wilde beroven. Huineng legde het kleed en de nap op een steen en zei: Deze attributen staan voor vertrouwen, niet voor strijd. Als u ze per se wil hebben, neem ze dan maar.
De monnik probeerde ze op te tillen, maar kreeg er geen beweging in, ze waren zo zwaar als een berg. Beschaamd zei hij: Ik kom voor de leer, niet voor de attributen. Geeft u mij onderricht alstublieft.
Huineng zei: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment het ware gezicht van de monnik Datong?
Bij deze woorden brak er iets in de monnik. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en maakte een diepe buiging. Hoopvol vroeg hij: Is er behalve de geheime woorden en betekenissen die u me zojuist heeft onthuld nog iets anders, iets diepers wellicht?
Wat ik je heb verteld is geen geheim en er is niets diepers dan je ware gezicht, antwoordde Huineng.
Jarenlang heb ik bij onze meester Hongren gezeten zonder mijn ware gezicht te zien, zei Datong, Door uw onderricht weet ik nu dat een man die zich laaft aan de bron zelf ogenblikkelijk voelt of het water warm of koud is. Hierbij verklaar ik u tot mijn meester.
Zo u wil, zei Huineng, maar laten we Hongren onze meester blijven noemen, en koester alleen hetgeen u zelf hebt gerealiseerd.

23.1
De meester werd weer eens achternagezeten door een monnik. Hier die pij, riep de monnik toen hij hem bijna had ingehaald.
De meester liet zonder z’n pas in te houden zijn pij op de grond vallen en vervolgde piemelnaakt zijn weg.
De monnik verwisselde zijn eigen oude pij voor het goudbrokaten gewaad van de meester en holde hem weer achterna. Uw leer of uw leven, schreeuwde hij.
Mijn leer dan maar, hijgde de meester, boog voorover en liet een wind.
Als de monnik op dat moment het licht had gezien, was dit beslist de openingskoan geworden van de canonieke collectie De Nieuwe Kleren van de Keizer, maar de eloquente flatulentie van de meester was aan de monnik niet besteed. Uw leven, juichte hij en trok zijn zwaard.
Je kan mijn leven nemen maar ik kan het je niet geven, redeneerde de meester tussen zijn benen door.
De monnik slaakte een kreet, stak zijn zwaard terug in de schede en maakte rechtsomkeert.
Hand over hand kwam de meester overeind, slaakte een zucht van verlichting en vervolgde aangeslagen zijn weg. De gedachte dat de monnik binnenkort zelf achternagezeten zou worden, troostte hem niet.
23.2
De meester zei tegen de monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment je ware gezicht?
Bij deze woorden ging de monnik een lichtje op. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en zei schokschouderend: Is er behalve de wijsheid voorbij goed en fout die u me zojuist heeft onthuld nog iets anders, iets diepers wellicht?
Bij deze woorden brak er iets in Hongren. Hij zweette over heel zijn lichaam, weende en haalde keer op keer zijn schouders op.
23.3
De meester dacht weer eens dat hij achtervolgd werd. Toen hij een monnik aan zag komen legde hij zijn kleed op een steen en zei: Dit gewaad staat voor het ware zelf, niet voor strijd. Als je het per se wil hebben, neem het dan maar.
Het ware zelf is mij te zwaar en met strijd heb ik geen affiniteit, antwoordde de monnik, maar het is een mooi kleed, daar zeg ik geen nee tegen. Welgemoed propte hij het gewaad in zijn ransel.
Meester Hongren keek hem met open mond aan.
Het tocht hier, zei de monnik, vat geen kou, en gaf zijn ezel de sporen.
23.4
Toen hij een monnik aan zag komen riep de meester: Kom je voor de leer of voor mijn gewaad?
Ik zie het verschil niet, riep de monnik.
Omdat ze één zijn, zei de meester.
Ik zie de overeenkomst niet, zei de monnik en liep hem straal voorbij.
Leegte kan je niet zien, riep de meester hem na.
Jodelahiti, deed de monnik, en de bergen jodelden mee.
23.5
Toen hij een monnik aan zag komen, legde de meester zijn kleed op een steen en zei: Als je hem op kan tillen is hij van jou.
Alles is van mij, zei de monnik, wat moet ik met een pij?
23.6
Toen hij een monnik aan zag komen, legde de meester zijn kleed op een steen en zei: Als je hem op kan tillen is hij van jou.
Niets is van mij, zei de monnik, laat staan zo’n vieze pij.
23.7
Toen hij een monnik aan zag komen, legde de meester zijn kleed op een steen en zei: Als je hem op kan tillen is hij van jou.
De monnik wees naar een berg en zei: Als u hem op kan tillen is hij van u.
23.8
Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment uw ware gezicht?
Meester: In tegenstelling tot?
Monnik: Uw onware gezicht natuurlijk.
Meester: Fout.
Monnik: Oké, zonder te denken in termen van goed en fout, waar en onwaar, wat is op dit moment uw…
Meester: Waarom niet in termen van goed en fout?
Monnik: Dat zou niet juist zijn.
Meester: Onjuist.
Monnik: Oké, zonder te denken in termen van goed en fout, waar en onwaar, juist en onjuist, wat is…
Meester: Mis.
23.9
Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?
Meester: Zonder te denken in termen van zonder of met, jouw of mijn, waar of vals, wat is op dit moment je gezicht?
Monnik: Pardon?
Meester: Zonder te denken in termen, wat is er op dit moment en wat is dit moment?
Monnik: Ik denk…
Meester: Zonder te denken?
Monnik: Ik denk niet…
Meester: Zonder niet te denken?
Bij deze woorden werd de monnik verlicht en het was geen gezicht.
23.10
Monnik: Zonder te denken in termen van goed en fout, wat is op dit moment mijn ware gezicht?
Meester: Waarom zou je niet denken in termen van goed en fout?
Monnik: Wat als ik op dit moment denk in termen van goed en fout?
Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.
Monnik: En als ik op dit moment niet denk in termen van goed en fout?
Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.
Monnik: Is je ware gezicht dan niet steeds hetzelfde?
Meester: Zou je denken?
Monnik: Wis en zeker.
Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.
Monnik: En als ik had gezegd van niet?
Meester: Dan was dat op dat moment je ware gezicht.
Monnik: Is je ware gezicht wat zich op dit moment voordoet?
Meester: Zou je denken?
Monnik: Anders zou ik het niet zeggen.
Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.
Monnik: Maar wat is je ware gezicht nou echt? Ik móet het weten.
Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.
Monnik: Als het steeds verandert, wat is er dan waar aan mijn gezicht?
Meester: Dat het steeds verandert?
Monnik: Is je ware gezicht wat je op dat moment denkt?
Meester: Als jij dat denkt.
Monnik: Ik kan me niet voorstellen dat dit mijn ware gezicht is.
Meester: Dan is dat op dit moment je ware gezicht.
23.11
Monnik: Ik kom voor de leer, niet voor het kleed.
Meester: Wat maakt het uit.
Monnik: De leer heeft geen kleed nodig.
Meester: Het kleed ook geen leer.
Monnik: Het kleed is maar een symbool.
Meester: De leer zeker niet.
Monnik: Waarvoor staat de leer symbool?
Meester: Symbolisch denken.
Monnik: Wat is niet-symbolisch denken?
Meester: Een kleed.
Monnik: Wat is een kleed?
Meester: Geen leer.
Monnik: Dus dit is niet uw leer?
Meester: Wat heet.

