‘Wat is de wil, Hans?’
‘Welke wil?’
‘De vrije wil.’
‘Een innerlijke eigenmacht die je in staat stelt iets te doen of te laten.’
‘Is er dan nog een andere wil?’
‘De onvrije wil.’
‘Wat is dat?’
‘Een innerlijke overmacht die je dwingt iets te doen of te laten.’
‘Welke wil is het sterkst?’
‘Verschillende namen voor hetzelfde.’
‘Wanneer gebruik je de ene naam, wanneer de andere?’
‘Als je je ermee identificeert noem je de wil vrij, als je je ervan distantieert onvrij.’
‘Wat als je je er niet mee identificeert of van distantieert?’
‘Ja, wat dan.’

