‘Ik ben blij dat we in een rechtstaat leven, Hans.’
‘Hoezo?’
‘Dan kunnen we de gemeneriken tenminste ter verantwoording roepen.’
‘Als een boomtak afbreekt en een voorbijganger velt, heeft de boom het dan gedaan?’
‘Sleep hem voor de rechter!’
‘Zou je de boom gemeen noemen?’
‘Natuurlijk niet.’
‘En als de tak op de houthakker valt?’
‘Dan nog niet.’

‘Als een dakdekker uitglijdt en op een voorbijganger valt, heeft de dakdekker het dan gedaan?’
‘Onzin.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij het niet expres deed.’
‘Zou je hem gemeen noemen?’
‘Hij gleed toch uit?’
‘En als hij zijn schoenen niet op tijd heeft laten verzolen?’
‘Dan was hij nalatig, niet gemeen.’
‘Als iemand vanaf een viaduct een steen op een passerende auto…’
‘Ja, dat is gemeen.’
‘Waarom?’
‘Omdat er boos opzet in het spel is.’
‘Ook als de dader in een psychose handelt?’
‘Dat is wat anders.’
‘Of om een andere reden echt niet anders kon?’
‘Zoals?’
‘Bepaalde gevoelens, herinneringen of gedachten die hem onontkoombaar tot zijn daad aanzetten. Vrienden die dreigen hem te slaan of verstoten als hij niet meedoet.’
‘Hm.’
‘Zou je hem dan nog steeds gemeen noemen?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij niet anders kon.’
‘Weet je ooit of iemand anders kon?’
‘Nou…’
‘Hoe stel je zoiets onomstotelijk vast?’
‘Tja…’
‘Kun je iemand ooit met zekerheid een dader noemen?’
‘Ja, als we zo gaan redeneren…’
‘Wat dan?’
‘Dan hebben we straks alleen nog slachtoffers.’
‘Was het maar zo simpel.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Weet je ooit of iemand niet anders kon?’

