Jaren geleden kwam -doordat leden van sangha’s dit niet langer accepteerden en de publiciteit zochten- seksueel- en machtsmisbruik door boeddhistische leraren – ook actief in Nederland- aan het licht. Bekend werd onder meer het misbruik binnen Shambhala en Rigpa. Slechts in enkele gevallen kwam het wereldwijd tot een strafrechtelijke vervolging en veroordeling van deze leraren.
Recent is in de serie Cahier van het Wetenschappelijk Onderzoek – Datacentrum een rapport verschenen inzake een verkenning van het fenomeen en de factoren die de omgang met, visie op en hulpvragen van slachtoffers beïnvloeden.
In het onderzoek en het rapport wordt in hoofdstuk 3 uitgebreid ingegaan op (seksueel) en machtsmisbruik binnen boeddhistische gemeenschappen in Nederland – voor zover die aan het licht zijn gekomen – en het standpunt daarin van de Boeddhistisch Unie Nederland (BUN), de koepel die officieel erkend is als vertegenwoordiger van alle boeddhistische organisaties in Nederland voor de overheid. Overigens worden in het rapport niet alle organisaties in Nederland, waar macht- of seksueel misbruik plaatsvond onderzocht of genoemd. Onderstaande tekst is overgenomen uit het rapport en geeft de huidige situatie in (een deel van) boeddhistisch Nederland weer. Het hele rapport is ook in te zien door op de link onderaan de tekst te klikken.
Religieuze gemeenschappen vormen voor veel mensen plekken van betekenis, verbondenheid en vertrouwen. Mensen vinden er een gedeeld verhaal, morele oriëntatie en sociale relaties die soms een leven lang meegaan. Het zijn ook de gemeenschappen waarover in dit onderzoek wordt gesproken in relatie tot seksueel grensoverschrijdend gedrag: via mensen die hun persoonlijke ervaringen hebben gedeeld, vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen en professionals die vanuit verschillende rollen bij dit onderwerp betrokken zijn. Hun verhalen en perspectieven bieden inzicht in een werkelijkheid die veelal niet zichtbaar is.
Bewustwording van maatschappelijke vraagstukken begint regelmatig met het delen van ervaringen. Maatschappelijke veranderingen komen zelden uitsluitend voort uit beleid, onderzoek of instituties; zij ontstaan vooral wanneer mensen woorden geven aan wat eerder onbesproken bleef. Ook de aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, binnen en buiten religieuze contexten, is mede ontstaan doordat mensen bereid waren hun ervaringen te delen en anderen bereid waren daarnaar te luisteren.
Gedurende dit onderzoek hebben de onderzoekers gesproken met mensen die vanuit uiteenlopende posities betrokken zijn bij dit onderwerp. Hun bijdrage laat zien dat maatschappelijke discussies steeds zijn geworteld in concrete ervaringen, relaties en gemeenschappen. Zij herinneren ons eraan dat zorgvuldige kennisvorming begint met luisteren, ook wanneer ervaringen verschillen, schuren of moeilijk te duiden zijn.
Huidige situatie boeddhistische gemeenschap Nederland
In deze paragraaf wordt enkel de huidige situatie geschetst zoals deze blijkt uit de documenten en interviews met de Boeddhistische Unie Nederland (BUN). Het is daarmee geen weergave van de huidige situatie in de hele boeddhistische gemeenschap in Nederland. Eerst wordt de interne procedure en het huidige beleid geschetst, waarna kort wordt ingegaan op het ontbreken van religieus recht in de boeddhistische gemeenschap
Interne procedures
Tijdens de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de BUN in 2018 werd besloten dat alle aangesloten sangha’s uiterlijk in 2020 een ethische code met betrekking tot (seksueel) grensoverschrijdend gedrag binnen de relatie van leerling-leraar moesten opstellen. Naast de ethische code werd besloten dat de contactgegevens van een vertrouwenspersoon op de website van iedere sangha vermeld moesten worden. Deze verplichting werd vanaf dat moment ook officieel opgenomen in het Huishoudelijk Reglement van de BUN. In de jaren daarna werd echter tijdens de ALV herhaaldelijk vastgesteld dat sommige groepen achterbleven in het voldoen aan deze verplichtingen
De rapporten van de externe vertrouwenspersonen sinds 2019 bevatten herhaalde aanbevelingen aan de achterblijvende sangha’s om dit alsnog te doen. In een interview met WODC-onderzoekers geeft het bestuur van de BUN aan dat nog ‘vier à vijf’ sangha’s niet voldoen aan de verplichtingen en dat hierover gesprekken lopen. Uit journalistiek onderzoek blijkt echter dat 18 van de 51 BUN-leden hun statutaire verplichtingen in 2024 niet na waren gekomen, en nog geen ethische code en de contactgegevens van de BUN-vertrouwenspersonen op hun website hadden gepubliceerd.
Sinds 2018 is het ook voor alle bij de BUN aangesloten sangha’s verplicht om een interne vertrouwenspersoon aan te stellen en actief door te verwijzen naar de externe vertrouwenspersonen van de BUN. Daarnaast moeten zij een ethische code opstellen en publiceren. Uit een interview met de BUN komt naar voren dat zij het toezicht op de naleving hiervan niet als haar taak ziet. Het bestuur van de BUN benadrukt in het interview ze geen controlerend orgaan is, maar zichzelf eerder ziet als een ondersteunende en adviserende instantie, en dat de verantwoordelijkheid voor de omgang met en aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag uiteindelijk bij de sangha’s zelf ligt. Het bestuur van de BUN legt uit dat zij, wanneer leden of gemeenschappen aangeven zich onzeker te voelen en om feedback vragen met betrekking tot de ontwikkeling van ethisch beleid, ondersteuning aanbiedt. Zij doen dit zonder actief de inhoud en formulering van het individuele ethische beleid van de sangha’s te controleren of actief uit te reiken naar sangha’s met betrekking tot het onderwerp van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De BUN laat ook de praktische handhaving van ethische normen aan de leden zelf over. In een interview licht het bestuur toe dat de mogelijke consequenties van het overtreden van regels afhankelijk zijn van hoe de betreffende gemeenschap zelf met de situatie omgaat. Op de vraag wat de consequentie is van het niet naleven van de statutaire verplichting sinds 2020 – namelijk het hebben van een ethische code en een verwijzing naar een externe vertrouwenspersoon op de website – antwoordt het bestuur van de BUN dat dit per geval wordt bekeken. Wanneer een gemeenschap volledig weigert zich met deze verplichtingen bezig te houden en geen enkele betrokkenheid toont, kan de BUN overwegen het lidmaatschap te beëindigen. De voorzitter voegt toe dat dit echter niet hun doel is: ‘het doel is om te zorgen van dat mensen wél in beweging komen, en wél zelf organiseren en wél zorgen dat het netjes geregeld is’. De BUN merkt hierbij op dat, als een sangha laat weten dat het bezig is met het ontwikkelen dan wel nadenken over ethisch beleid of het aanpassen van de website, zij dit voldoende vinden. Dit geldt zeker met betrekking tot de Aziatische sangha’s, waar het onderwerp ‘nog niet zo speelt’. Om bewustwording te stimuleren, is de BUN van plan om onderwerpen zoals ethisch beleid regelmatig op de agenda van de ALV zetten. Vertrouwenspersonen worden uitgenodigd en rapporteren tijdens deze vergaderingen over hun bevindingen.
Als koepelorganisatie heeft de BUN ervoor gekozen om geen centrale klachtenprocedure in te richten voor misstanden binnen de aangesloten gemeenschappen. Dit betekent dat, hoewel slachtoffers terechtkunnen bij de externe vertrouwenspersonen van de BUN, er geen onafhankelijk meldpunt of formeel klachtenmechanisme op centraal niveau bestaat. De BUN beschikt inmiddels wel over twee vertrouwenspersonen waar slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag terechtkunnen. In het interview benadrukt de voorzitter van de BUN dat deze vertrouwenspersonen een externe en onafhankelijke bron van ondersteuning zijn voor mensen binnen de boeddhistische gemeenschap die te maken hebben met problemen zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit biedt hun een veilige en toegankelijke plek om hulp te zoeken, vooral wanneer de drempel om binnen de eigen gemeenschap om hulp te vragen te hoog is of wanneer er geen adequate ondersteuning beschikbaar is. Daarnaast kan de vertrouwenspersoon ondersteuning bieden bij formele procedures, zoals het indienen van aangiften bij de politie, en nazorg bieden aan betrokkenen. De BUN legt in een interview uit dat deze aanpak is ontstaan omdat sommige sangha’s te klein zijn om hun eigen interne vertrouwenspersoon aan te stellen: ‘Als mensen geconfronteerd worden met ernstige problemen binnen hun eigen gemeenschap en zij kunnen daar niet geholpen worden of durven dat niet, of de drempel is te hoog, dan kunnen ze altijd bij de externe vertrouwenspersonen van de
Religieus recht
Het boeddhisme kent geen religieus recht zoals je dit bijvoorbeeld in het jodendom (halacha) of christendom (canoniek of kerkrecht) wel ziet. Er is geen boeddhistische ‘wet’ of juridisch systeem die voor iedere volgeling van een bepaalde boeddhistische stroming geldig is, of die door een (spirituele) autoriteit kan worden afgedwongen. Wel zijn er monastieke regels voor monniken en nonnen, die voorschrijven hoe zij zich moeten gedragen. Hieronder vallen regels met betrekking tot eigendom, voedsel en ook seksueel gedrag. Deze regels hebben, een disciplinerende functie en moeten gezien worden als morele voorschriften of leefregels. Overtreding van sommige regels – zoals seksueel contact, moord of diefstal – kan leiden tot uitsluiting uit de orde. Deze regels zijn geen wetten in juridische zin, maar worden gehandhaafd binnen de monastieke gemeenschap zelf. Voor leken (niet-monniken) zijn er vijf algemene leefregels: geen geweld, niet stelen, geen seksueel misbruik, niet liegen en geen bedwelmende middelen gebruiken. Dit zijn vrijwillige richtlijnen, bedoeld voor persoonlijke en spirituele ontwikkeling, en worden niet opgelegd of gecontroleerd door een autoriteit. Dit zijn geen geboden; het gaat hier over een morele leidraad en de boeddhistische beoefenaar heeft daarbij geen verplichting naar een hogere spirituele macht maar naar zichzelf, en zijn bedoeld voor spirituele groei van de beoefenaar.
Het ontbreken van een formeel religieus rechtssysteem binnen het boeddhisme kan relevant zijn voor de manier waarop seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische gemeenschappen wordt geïnterpreteerd en behandeld. Doordat de regels voor monniken en nonnen primair een moreel en disciplinair karakter hebben en de leefregels voor leken vrijwillige richtlijnen zijn, bestaat er – zeker in westerse landen- geen uniform kader dat voorschrijft hoe met dergelijke situaties moet worden omgegaan. De nadruk ligt eerder op persoonlijke ethiek en spirituele ontwikkeling dan op institutionele handhaving. Tegelijkertijd kan dit normatieve kader mogelijk op verschillende manieren doorwerken in de praktijk. Enerzijds kunnen de morele leefregels, zoals het verbod op seksueel misbruik, een beschermende functie hebben, doordat zij duidelijke ethische richtlijnen bieden voor gedrag. Anderzijds komt in een interview met een respondent naar voren dat de sterke nadruk op innerlijke ontwikkeling, harmonie en geweldloosheid ertoe bijdragen dat het boeddhisme vaak wordt gezien als een intrinsiek vreedzame of moreel zuivere religieuze traditie. Dit kan in sommige gevallen leiden tot een gevoel van veiligheid, waarbij minder snel wordt aangenomen dat seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische contexten kan voorkomen, of dat een hoogstaande spirituele leraar zich daaraan schuldig kan maken. In de bronnenanalyse en interviews met respondenten is verder niet expliciet naar voren gekomen hoe deze morele richtlijnen zich verhouden tot de omgang met seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische gemeenschappen. Het blijft daarom onduidelijk in hoeverre deze ethische principes in de praktijk een rol spelen bij het signaleren, bespreken of afhandelen van dergelijke situaties.
Tussenconclusie
Het boeddhisme is een spirituele traditie die zich richt op de bevrijding van lijden en het bereiken van verlichting door middel van zelfdiscipline, meditatie en wijsheid. Wereldwijd is het boeddhisme een diverse traditie met verschillende stromingen. Gemeenschappelijk ligt de nadruk op ethische principes zoals geweldloosheid en mededogen. Binnen Nederland onderscheiden we in dit rapport twee hoofdcategorieën van boeddhistische gemeenschappen: de nieuwe, westerse gemeenschappen, en gemeenschappen die verbonden zijn aan migratieachtergronden en tradities uit landen van herkomst. Deze analyse is gebaseerd op documentanalyse, mediaberichtgeving en interviews met betrokkenen uit boeddhistische gemeenschappen, waaronder vertegenwoordigers van de Boeddhistische Unie Nederland (BUN). De beschreven bevindingen illustreren patronen binnen de onderzochte casussen, maar zijn niet automatisch representatief voor alle boeddhistische gemeenschappen in Nederland.

Binnen de onderzochte boeddhistische gemeenschappen leek er in de periode vóór 2015 een terughoudendheid te bestaan in het erkennen en adresseren van signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, vooral wanneer deze betrekking hadden op invloedrijke leraren. Een voorbeeld hiervan betreft Rigpa, een internationale Tibetaans-boeddhistische organisatie opgericht door Sogyal Rinpoche. Naar aanleiding van beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tegen Sogyal Rinpoche die in 2011 naar voren kwamen in de documentaire In the Name of Enlightenment, verklaarde Rigpa aanvankelijk dat zij ‘geloofden’ dat Sogyal Rinpoche niemand had geschaad. Deze reactie kan worden geïnterpreteerd als een vorm van terughoudendheid in het erkennen van de ernst van de beschuldigingen, waarbij de nadruk aanvankelijk meer leek te liggen op het beschermen van de reputatie van de leraar en de organisatie. De organisatie bood interne trainingen aan over hoe om te gaan met de media en hoe te reageren op de beschuldigingen, waardoor de status quo werd behouden en het beeld in stand werd gehouden dat er geen ernstige misstanden waren binnen de gemeenschap, terwijl het grensoverschrijdende gedrag voort bleef duren. Een respondent beschreef zijn ervaring in die tijd als een vergelijkbare terughoudendheid om misstanden rond seksueel grensoverschrijdend gedrag bij Rigpa binnen de BUN aan te kaarten. Volgens deze respondent speelde daarbij mee dat de voorzitter van de BUN tevens betrokken was bij Rigpa, waardoor het volgens hem lastig was om de situatie volledig op afstand en zonder mogelijke vooringenomenheid te beoordelen.
Deze dynamiek – waarbij loyaliteit aan leiders, het beschermen van het imago van de gemeenschap en sociale druk binnen de sangha samenkomen – komt niet alleen naar voren in de situatie rond Sogyal Rinpoche, maar ook bij andere boeddhistische gemeenschappen, zoals Shambhala. Ook daar werden signalen van seksueel grensoverschrijdend gedrag lange tijd niet serieus genomen, en bestond terughoudendheid om misstanden te erkennen, zelfs wanneer er al lange tijdaanwijzingen waren van verschillende vormen van grensoverschrijdend gedrag. Het duurde ook daar een lange tijd voordat er actie werd ondernomen en slachtoffers gehoord werden. De casus rond Sogyal Rinpoche en Rigpa illustreert hoe deze loyaliteiten ook kunnen doorwerken op bestuurlijk niveau; de verwevenheid van bestuurders met specifieke sangha’s of leraren kan een belemmering vormen voor het innemen van een onafhankelijke positie. Dit kan de drempel verhogen om seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar te maken.
In de periode tussen 2015-2020 kwam een langzaam begin van erkenning en discussie met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische gemeenschappen op gang. In 2015 was er veel media-aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische gemeenschappen, wat leidde tot Kamervragen aan Minister Van der Steur. De minister wees de BUN aan als verantwoordelijke voor het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen de gemeenschappen. De BUN reageerde verbaasd, omdat er geen overleg had plaatsgevonden, maar gaf sinds die tijd wel meer aandacht aan het onderwerp. In 2015 werd, met steun van de BUN, ook het Meldpunt Boeddhistische Gemeenschappen opgezet. Het meldpunt bood slachtoffers een kans om seksueel grensoverschrijdend gedrag te melden en de BUN steunde dit initiatief financieel.
In deze periode kwamen ook terugkerende meldingen met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen prominente boeddhistische gemeenschappen naar voren en daarmee werd de aandacht voor het onderwerp steeds noodzakelijker. In 2016 werd Sogyal Rinpoche opnieuw beschuldigd van fysiek en emotioneel misbruik.
De situatie rondom Sogyal en andere gevallen zoals die van Namkha Rinpoche en Shambhala in 2018 benadrukten het onvermogen van gemeenschappen om effectief met seksueel grensoverschrijdend gedrag om te gaan. Toen de beschuldigingen en publieke aandacht toenamen, gaf Rigpa in 2018 een officieel excuus. Volgens critici ging dit excuus niet gepaard met expliciete erkenning van de ernst van het misbruik van zijn leerlingen.
In 2018 werd ook het Meldpunt Boeddhistische gemeenschappen opgeheven wegens te weinig meldingen en besloot de BUN geen onafhankelijk onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische gemeenschappen in te stellen, omdat het lage aantal meldingen volgens hen geen voldoende aanleiding gaf hiervoor. Zonder meldingen is het moeilijk om de omvang van het probleem te bepalen en grondig te onderzoeken, zo stelde de voorzitter van de BUN. Tegelijkertijd blijft het onduidelijk waarom er zo weinig meldingen zijn: is er daadwerkelijk sprake van een laag aantal gevallen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, of heeft het ontbreken van duidelijke meldprocedures ervoor gezorgd dat slachtoffers zich niet durfden uit te spreken?
De BUN breidde haar aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag ook in 2018 uit, wat resulteerde in het besluit om een ethische gedragscode en een verwijzing naar een vertrouwenspersoon voor aangesloten gemeenschappen te verplichten De periode 2020-2025 kenmerkte zich door verdere interne conflicten en de langzame ontwikkeling van ethische en organisatorische maatregelen binnen de BUN. In 2020 stond de BUN in de schijnwerpers met de organisatie van een themadag over seksueel misbruik, maar de interne verdeeldheid over de uitnodigingen voor sprekers, waaronder slachtoffers en kritische journalisten, laat zien hoe gevoelig het onderwerp was. Dit leidde tot spanningen binnen de gemeenschap en een discussie over het betrekken van externe perspectieven met betrekking tot de omgang met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Tegelijkertijd werd in 2020 de eerste stap gezet richting de ontwikkeling van een ethische code voor de BUN. In 2021 werden er verder nog enkele positieve stappen gezet, waaronder de oprichting van een interne klachtenregeling, maar de BUN bleef terughoudend in het opnemen van klachten over de aangesloten sangha’s. Er werden vanuit de vertrouwenspersonen van de BUN ook aanbevelingen gedaan om een overkoepelende klachtencommissie op te richten en duidelijke richtlijnen voor sangha’s te formuleren. Desondanks is dit nog niet van de grond gekomen.
Wat betreft de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen boeddhistische gemeenschappen in Nederland blijkt uit dit onderzoek dat de verdeling van verantwoordelijkheid nog wat onduidelijk is. Tegen 2024, met hernieuwde media aandacht, werd de BUN opnieuw bekritiseerd voor het niet effectief handhaven van ethische codes en het verloop van hun aanpak met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag. Externe partijen, zoals de media en critici, wijzen regelmatig naar de BUN als verantwoordelijke instantie, vaak met verwijzing naar de beantwoording van Kamervragen in 2015, waarin toenmalig Minister Steur de BUN als verantwoordelijke organisatie aanwees. De BUN heeft zich sindsdien ingezet voor bewustwording onder haar leden en positieve stappen gezet, maar beschouwt zichzelf niet als eindverantwoordelijke voor het waarborgen van een veilige omgang met seksueel grensoverschrijdend gedrag of voor het controleren van ethische codes en interne vertrouwenspersonen van de aangesloten sangha’s. Binnen veel sangha’s ligt de verantwoordelijkheid voor sociale veiligheid primair bij de eigen leiding.
Tegelijkertijd bestaat binnen sommige gemeenschappen een sterke loyaliteit aan spirituele leraren en de bestaande gemeenschapscultuur. Hierdoor blijven het signaleren en adresseren van grensoverschrijdend gedrag mede afhankelijk van intern bewustzijn en bereidheid om misstanden bespreekbaar te maken. Ook ontbreken er mogelijk in veel sangha’s (zeker zij die niet aangesloten zijn bij de BUN) duidelijke richtlijnen over wat wel en niet gepast is in de leraar-leerlingrelatie. Dit kan leiden tot onduidelijkheid over grenzen van acceptabel gedrag en wat tot de boeddhistische leringen behoort, wat het risico kan vergroten dat seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt gelegitimeerd , vooral bij leerlingen met beperkte kennis van het boeddhisme.
Uit de analyse komt naar voren dat loyaliteit aan spirituele leiders, bestuurlijke verwevenheid en het ontbreken van onafhankelijke toezichtstructuren belangrijke belemmeringen vormen voor het tijdig signaleren en adresseren van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Transparantie en inzichtelijkheid van verantwoordelijkheden zijn daarom belangrijk: (potentiële) leerlingen moeten goed geïnformeerd zijn over de situatie binnen een sangha, weten of er ethische richtlijnen zijn met betrekking tot de relatie tussen leraar en leerling, of er bewustwording bestaat over seksueel grensoverschrijdend gedrag en hoe de verantwoordelijkheden precies zijn verdeeld. Het gaat dus niet alleen om informatie, maar ook om de toegankelijkheid en het vertrouwen dat klachten serieus genomen worden. Zowel de BUN als de individuele sangha’s dragen hierbij een rol: zij moeten duidelijk maken welke procedures bestaan en een omgeving creëren waarin seksueel grensoverschrijdend gedrag bespreekbaar is en meldingen serieus worden genomen.


Geef een reactie