Toen wij psychologie studeerden, leerden we een bijna provocerende definitie: intelligentie is datgene wat een intelligentietest meet. Daar zat ook een waarschuwing in. Wat we meten, valt niet vanzelfsprekend samen met wat intelligentie werkelijk is.
Die oude vraag keert terug door de opkomst van kunstmatige intelligentie. In onze vorige column vroegen we waarom een AI die ons ooit ver zou overtreffen, naar ons zou blijven luisteren. Een lezer reageerde dat AI helemaal niet kan luisteren en zelfs niet intelligent genoemd kan worden. Door steeds over ‘AI’ te spreken, zouden we van een technisch systeem gemakkelijk een zelfstandig wezen kunnen maken.
Daar zit iets in. Taal verleidt en kan misleiden. We zeggen dat een computer ‘denkt’, ‘begrijpt’, ‘beslist’ of ‘luistert’. Maar wanneer een mens luistert, gebeurt er meer dan het verwerken van woorden. Hij kan verdriet horen, aarzeling voelen of geraakt worden door wat iemand zegt. Er is iemand voor wie die woorden betekenis hebben.
Of er bij AI ook zoiets als innerlijke ervaring bestaat, weten we niet. Vooralsnog hebben we geen reden om uit de prestaties van AI af te leiden dat dit zo is. Een AI-systeem kan met menselijke betekenissen werken zonder dat daaruit volgt dat die betekenis voor het systeem ook wordt ervaren.
Maar daarmee is de vraag wat intelligentie is niet verdwenen. Ook bij AI kijken we vooral naar prestaties. Een systeem kan redeneren, programmeren, teksten schrijven, voorspellingen doen, strategieën ontwikkelen en problemen oplossen. Als het dat beter doet dan wij, zijn we geneigd het intelligenter te noemen.
Daarmee dreigt hetzelfde te gebeuren als bij de intelligentietest. We meten wat meetbaar is en noemen dat vervolgens intelligentie.
Een intelligentietest meet geen wijsheid, mededogen of het vermogen een ander werkelijk te begrijpen. En uit de indrukwekkende prestaties van AI kunnen we evenmin afleiden dat er sprake is van bewustzijn of innerlijke ervaring. Een schaakcomputer kan de beste schakers verslaan zonder enig besef te hebben van wat schaken is. Een taalmodel kan ontroerend over verdriet schrijven zonder dat het zelf verdriet ervaart.
Het lijkt daarom verstandig intelligentie, bewustzijn en wijsheid niet met elkaar te verwarren. Wij hebben menselijke intelligentie lang verbonden met taal, logisch denken, kennis en probleemoplossing. Juist op veel van die terreinen presteren machines inmiddels op specifieke taken beter dan mensen, terwijl ze op andere snel dichterbij komen.
Dat raakt ook aan het beeld dat wij van onszelf hebben. We hebben onze bijzondere positie als mens immers voor een belangrijk deel ontleend aan ons vermogen om te denken.
Maar onze waarde als mens kan moeilijk afhangen van de vraag of wij sneller kunnen rekenen, meer kunnen onthouden of ingewikkelder problemen kunnen oplossen dan een machine. Dan hebben we die wedstrijd al verloren.
Misschien moeten we onze menselijke waarde daarom niet zoeken in intelligentie alleen. Er is ook het vermogen geraakt te worden, verantwoordelijkheid te voelen, mededogen te hebben en van een doel af te zien wanneer het schade veroorzaakt. Daar begint iets wat we wijsheid zouden kunnen noemen. Wijsheid is meer dan een juiste conclusie trekken. Zij vraagt ook om te beseffen wat een beslissing voor anderen betekent.
De komst van AI stelt daarom niet alleen vragen over machines. Ze dwingt ons ook opnieuw naar onszelf te kijken. Als intelligentie vooral datgene is wat onze tests meten, dan zijn machines ons op veel terreinen al voorbij.
Wellicht ontdekken we daardoor iets wat we eigenlijk allang hadden kunnen weten: intelligentie is belangrijk, maar zij is nooit het hele verhaal geweest.


Geef een reactie