Ik woon alweer een tijdje in de grote stad zoals ze dat noemen. Op het balkon van het appartement waarin ik woon staan grote plantenbakken met struiken. Er hangen drie voedselsilo’s tegen ramen en plafond. Mezen duiken de struiken in om vandaaruit de pinda’s te bemachtigen. Ze zeggen dat je in de zomer geen vogels moet voederen, maar daar trekken mees en ik zich niks van aan. De mezen kijken door ramen naar binnen en zien een voor hen reusachtige man en andersom zie ik jonge en oude vogels. Ze tonen de vergankelijkheid met hun oude vederkleed. En een begin.
Ik heb niet altijd in een stad gewoond maar lange tijd ook op het platteland. Zijn stadsvogels anders van karakter, opmerkingsvermogen dan mezen op het platteland? Zo vroeg ik me vanmiddag af. Kunnen ze met elkaar opschieten? Ik had er zelf nooit moeite mee toen ik in gehuchten en dorpjes op het platteland woonde. Het contact met de medemens. Ik ervoer er meer rust in mezelf: organisch. Nu ben ik rustiger omdat mijn vederdracht aan het vergrijzen is. En ik ook.


Geef een reactie