Ciske: Hecht jij aan het leven?
Hans: Van mij mag het nog wel even doorgaan.
Ciske: O?
Hans: Het mag ook wel ophouden.
Ciske: Nu meteen?
Hans: Meteen, vannacht, volgende week, volgend jaar…
Ciske: Komt dat door het niet-weten?
Hans: Wat?
Ciske: Dat het leven van jou zowel mag doorgaan als ophouden?
Hans: Wie weet.
Ciske: Hoe dan?
Hans: Ik weet niet wat voor ellende mij nog te wachten staat; dat verzwakt het verlangen om verder te leven.
Ik weet niet wat voor heerlijks mij nog te wachten staat; dat verzwakt het verlangen om dood te gaan.
Ik weet niet wat voor ellende er weer uit dat heerlijks voortvloeit; dat verzwakt het verlangen om verder te leven.
Ik weet niet wat voor heerlijks er weer uit die ellende voortvloeit; dat verzwakt het verlangen om dood te gaan.
Ik weet niet wat voor ellende er weer voortvloeit uit het heerlijks dat voortvloeide uit die ellende, niet wat voor heerlijks er weer voortvloeit uit de ellende die voortvloeide uit het heerlijks enzovoort.
Los van de dialectiek van leed en vreugde heb ik altijd een soortement doodswens gehad, als kind al. Het leven komt bij mij binnendenderen als een dolle olifant. Wordt het me teveel dan wil ik verdwijnen, niet meer zijn.
Ciske: Kom je ooit in de verleiding om dat voor onthechting door te laten gaan?
Hans: Nee, waarom zou ik?
Ciske: Zodat iedereen denkt dat je verlicht bent.
Hans: Alsof mij dat wat kan schelen.
Ciske: Sereen, zelfs in het aangezicht van de dood.
Hans: Sereen, juist in het aangezicht van de dood.
Ciske: Jij ziet jezelf niet als verlicht?
Hans: Het idee van verlichting is mij volkomen duister. Duister als het niet-weten zelf. Ik zie er niets in.
Ciske: En onthechting?
Hans: Ik hecht er niet aan en heb er nooit aan gehecht.
Ciske: Jij vindt het niet erg om aan het leven te hechten.
Hans: Of aan de dood. Of aan het leven én de dood. Of afwisselend aan het leven en aan de dood.
Ciske: Komt dat dan wel door het niet-weten?
Hans: Ik zou tenminste niet weten waarom onthechting te verkiezen is boven gehechtheid of andersom.
Ciske: Er is voor allebei wat te zeggen.
Hans: En tegen allebei.
Ciske: Hoe is het met je gemoedsrust gesteld?
Hans: Die is nu eens gesteld, dan weer ongesteld.
Ciske: Je bent niet onverstoorbaar geworden.
Hans: Onverstoorbaarheid is voor mij niet weggelegd. Of het leven, die dolle olifant, moest spontaan in een vrolijk fladderende vlinder veranderen.

Ciske: Voor jou geen verlichting, geen onthechting en geen gemoedsrust.
Hans: Schei toch uit. Ik weet alleen maar niet, wat is daar moeilijk aan?
Ciske: Ik probeer erachter te komen wat ik van niet-weten verwachten mag.
Hans: O, zeg dat dan meteen.
Ciske: Wat mag ik van niet-weten verwachten?
Hans: Geen idee.
Ciske: Bedoel je dat je van niet-weten geen ideeën mag verwachten of dat je geen idee hebt wat je van niet-weten mag verwachten?
Hans: Dat komt op hetzelfde neer.
Ciske: En daar neem jij genoegen mee?
Hans: Als het even kan.
Ciske: En anders?
Hans: Neem ik genoegen met mijn ongenoegen.
Ciske: Wat heb je daar nu aan.
Hans: Ik heb er genoeg aan. Als je genoegen neemt met je ongenoegen is je ongenoegen geen reden meer voor ongenoegen. Dan kun je veel hebben, zelfs als je niet veel kunt hebben zoals ik.
Ciske: Klinkt niet erg genoeglijk.
Hans: Als je rust vindt in je onrust is je onrust geen reden meer voor onrust. Als je vrede hebt met je onvrede is je onvrede geen reden meer voor onvrede. Als afwijzing welkom is hoef je niet meer alles te verwelkomen.
Ciske: Big deal.
Hans: Je moest eens weten.

