Wie de gevangenis in wil moet naar zijn gevoel luisteren.
‘Wat moet ik doen om net zo vergevingsgezind te worden als jij, Hans?’
‘Hoe kom je daar nu bij?’
‘Wat ik ook doe, jij vergeeft het mij.’
‘Welnee.’
‘Zelfs als ik zweer dat ik iets met opzet deed, vergeef je het me nog.’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik heb je nog nooit iets vergeven.’
‘Hè?’
‘Ik neem alleen niet aan dat jij jezelf in de hand hebt.’
‘Je neemt aan dat ik mezelf niet in de hand heb.’
‘Ook niet.’
‘En anderen?’
‘Ik neem niet aan dat ze zichzelf wel of niet in de hand hebben.’
‘En ook niet dat je jezelf wel of niet in de hand hebt, zeker.’
‘Mij niet gezien.’
‘Je neemt niet aan dat mensen toerekenbaar zijn.’
‘Of ontoerekenbaar.’
‘Waar ga je dan van uit?’
‘Ik ga nergens van uit.’
‘Behalve dat je nergens van uitgaat, zeker.’
‘Ook niet.’
‘Je gaat er niet van uit dat je nergens van uitgaat?’
‘Anders ging ik toch weer ergens van uit.’
‘En daarom vergeef je zo makkelijk?’
‘Met vergeving heeft het dus niets te maken.’
‘Het is niet zo dat je voortdurend je hart laat spreken.’
‘Wie luistert er nu naar zijn hart.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat obstinate gebonk.’
‘Ik bedoel natuurlijk je gevoel.’
‘Als ik daarnaar moest luisteren…’
‘Wat dan?’
‘Dan waren er al duizend doden gevallen.’
‘Wat?’
‘Dan had ik al duizend keer mijn geld weggegeven.’
‘Echt?’
‘Dan was ik al duizend keer vader geweest.’
‘En ik maar denken dat jij een soort heilige was.’
‘En jij maar denken.’

