Deze teisho werd zaterdag 11 juli gegeven ter herdenking van Trees. Vandaag, 15 augustus, plaatsen we die op de website. Het is de dag dat de as van Trees op haar geboortedag wordt uitgestrooid op de natuurbegraafplaats in Heeze; ‘Trees wordt teruggegeven aan de aarde’.
KwanYin neemt een bijzondere plaats in de Chinese ch’an-traditie in. Daarom wil ik wat dieper ingaan op de achtergrond en betekenis van Kwan Yin in onze traditie in relatie tot de kracht en het belang van rituelen. KwanYin staat op het altaar omringd door offergaven van bloemen, kaarsen, water en wierook. Ze staan symbool voor de vier elementen: aarde, vuur, water en lucht. Het zijn tevens de bouwstoffen van ons fysieke lichaam en de materiële wereld om ons heen. De offergaven staan symbool voor alle generaties die ons zijn voorgegaan in het leven én in het ritueel. Wij zijn ten diepste verbonden met onze voorouders in een fijnmazig netwerk van onzichtbare draden en diezelfde draden verbinden ons met de huidige en toekomstige generaties in een eeuwigdurend web van Indra, waar niemand uitvalt en waarin iedere diamant op iedere hoek van het web de andere diamanten weerspiegelt in een eindeloze reeks. Kwan Yin, bodhisattva van het grote mededogen, herinnert ons dat wij ten diepste met elkaar zijn verbonden. Zoals elke diamant het hele web weerspiegelt, draagt ieder mens bij aan het welzijn van alle anderen. Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze allen te bevrijden
Tijdens de sesshin staan er foto’s op het altaar van onze voorouders die ons zijn voorgegaan. We eren hen in dankbaarheid voor wat zij ons hebben doorgegeven en wij geven het weer door aan volgende generaties. Als je thuis een altaar hebt, zet dan ook foto’s van je eigen voorouders op het altaar, ze leven in ons voort; wij zijn onze ouders. We kunnen onszelf pas werkelijk aanvaarden met alle mooie en minder mooie eigenschappen als we ook hen aanvaarden voor wie ze waren, hoe problematisch de relatie misschien ook kan zijn geweest. Het heeft een helende werking als we in staat zijn om alles, ook de mindere kanten van onze ouders te aanvaarden en integreren, want het één bestaat dankzij het andere, alles komt voort uit dezelfde bron.
Voor het altaar voeren we rituelen uit. Als we de zendo binnenkomen, maken we een buiging naar KwanYin en de voorouders op het altaar. We lopen naar onze mat en we maken een buiging voor onze mat. We buigen voor de plek waar we onze boeddhanatuur realiseren. Vervolgens maken we een buiging om de sangha te begroeten. In onze buigingen zijn lichaam en geest één. We voegen ons in de sangha die we hier en nu samen vormen. Voor iedere meditatieperiode offeren we wierook. In een buiging dragen we onze eigen verdiensten over aan KwanYin en in een tweede buiging de verdiensten van de gehele sangha. We mediteren als één lichaam, waarin de drie juwelen doorwerken: de Boeddha, de Dharma en de Sangha. Als we de geloften reciteren, voegen onze stemmen zich bij de andere stemmen als één lichaam. Eén met allen.
Zitten op het kussen is een rituele handeling, buigen is een rituele handeling en reciteren van teksten en het zingen van de soetra’s zijn rituele handelingen waarin lichaam en geest één worden. “Rituelen maken het onzichtbare zichtbaar, omdat ze wijzen naar onze fundamentele aard en onze onderlinge verbondenheid met elkaar en alle dingen”, schrijft John Daido Loori in: Bringing the sacred to life. In het ritueel van alleen maar zitten, brengen we het sacrale tot leven: “communiceren we met een diepere werkelijkheid en worden we ons intiem bewust van onze relatie met iets dat veel groter is dan wij”.
In het ritueel ervaren we onze verbondenheid met alle levende wezens, met onze voorouders in de eigen familielijn en met de lineage van leraren en leraressen die teruggaat tot de Boeddha. We ervaren onze verbondenheid met het grotere geheel waarvan wij deel uitmaken: de aarde, de zon, de maan en de sterren, het gehele universum. De elementen waaruit ons lichaam bestaat, ooit gevormd door sterrenstof, maken deel uit van de voortdurende kringloop van de natuur, van ontstaan en vergaan. In het ritueel gaan lichaam en geest samen in een vloeiende beweging, want rituelen gaan voorbij aan het bewuste denken. Ze staan er los van en brengen een specifieke kwaliteit van aandacht tot stand, die we vanzelf steeds meer in ons dagelijkse leven en handelen integreren. Daarom raad ik altijd iedereen aan om een altaar in je huis te maken. Een plek waar je naartoe kan gaan, om in de verwevenheid van de dagelijkse dingen waar je soms alle kanten op wordt opgeslingerd, de stap te maken om van buiten naar binnen te gaan. Je maakt het daarmee fysiek en het helpt om regelmatig en bewust de verwarring los te laten en te zijn. Je creëert daarmee een rustpunt. Rituelen openen ons voor de verschillende dimensies van de werkelijkheid, een werkelijkheid die groter is dan ik en wij.
In de lichtceremonie van vanavond delen en ervaren we de verbondenheid met onze geliefden en allen die ons zijn ontvallen, die we missen, maar in het bijzonder Trees. Een foto van haar staat op het altaar. Trees was bijna tien jaar onze webmaster. Tot op het laatst hield Trees de website bij, tot: ‘het niet meer ging’, vertelde ze Marja in een telefoongesprek twee maanden geleden; een week later 23 mei overleed ze. Trees kwam meer dan dertig jaar naar de sesshins van Ton. Tot ongeveer 2003 reisde Ton rond voor de zazenkais die op zaterdagen door lokale groepen in Nederland en België werden georganiseerd. Als hij in Brabant kwam, logeerde hij met zijn pleegmoeder Riet bij Trees in Veldhoven, waar zij toen woonde. Tijdens teisho’s zat Trees steevast te tekenen volgens de ‘zen zien, zen tekenen’-methode van Frederick Franck. Ze was ermee vergroeid. De rouwkaart op het altaar laat een tekening zien van Otagaki Rengetsu, één van haar favoriete dichters/ schilders met het gedicht, vertaling is van mij:
“A little cuckoo –
cries out
disappearing
into a bank of clouds
they float together.”
“Een kleine koekoek roept
terwijl hij verdwijnt in een zee van wolken,
drijven ze samen weg.”
Tijdens de uitvaart stond KwanYin op een boomstronk naast de mand waar Trees in lag. Er stond een vaasje met een iris voor het beeld van Kwan Yin, symbool van moed. Er lagen witte orchideeën op de mand en een bundel bamboe, in de vorm van een enso geschikt . Sinds de zesde eeuw is de enso een belangrijk symbool in de zen-traditie. De cirkel wordt in één vloeiende penseelstreek geschilderd. Hij verbeeldt innerlijk evenwicht, heelheid en de aanvaarding van de werkelijkheid zoals die is. Dat was ook de weg die Trees is gegaan, toen zij steeds meer moest loslaten. De enso is leeg en tegelijk vol. De cirkel kent geen begin en geen einde, een verwijzing naar de ononderbroken stroom van het leven: het ontstaan en vergaan van alle dingen, het ritme van de seizoenen en de kringloop van geboorte en dood. Ook de zon en de maan gaan op en onder, geven afwisselend licht, duisternis en weer licht, zo is ook ons leven deel van een groter geheel. De partner van Trees had mij gevraagd iets over Kwan Yin te vertellen tijdens de uitvaart en ik was nog niet uitgesproken of tegelijk met de eerste klanken van de soetra van KwanYin, barstte er een enorme wolkbreuk los, die neerkletterde in de bosven buiten achter de glazen wand. Toen de laatste klanken van de soetra waren verklonken, hield ook de wolkbreuk op, even plotseling als ze was begonnen. Het waren zeven magische minuten. Degene achter de knoppen fluisterde bevlogen: “Magisch, magisch. Alle aanwezigen verbonden in zeven magische minuten.
Door Trees heb ik me intensief gebogen over de betekenis en symboliek van KwanYin. Ineens keek ik met hele andere ogen naar het beeld. Het staat bij mij thuis op het altaar. Ik keek ineens met nieuwe ogen naar het beeld en zag de symbolen die in het beeld verwerkt zijn. Ik heb delen van het beeld, moet ik bekennen, nooit eerder zo bewust gezien. Natuurlijk heb ik het beeld gezien, ik sta er iedere avond voor, maar wat is zien? Er is zien en er is ‘Echt’ zien. Ik zag het allemaal wel, maar niet eerder was de symboliek zo wezenlijk tot me doorgedrongen. Ik ben Trees dankbaar, dat ik door haar het beeld minutieus ben gaan bestuderen. Het beeld is me nog dierbaarder geworden.
Historisch gezien komt Guanyin voort uit de bodhisattva Avalokiteshvara. In India was het een mannelijke boddhisattva. In China werd zijn naam vertaald in Guanshiyin: “hij die de geluiden van de wereld waarneemt”. Later, toen het beeld geleidelijk aan veranderde in een vrouwelijke figuur, werd de naam ingekort tot Guanyin: “zij die naar de noodkreten van de wereld luistert”. Rond 100 v.Chr. werd het boeddhisme via karavanen van kooplieden naar China gebracht. Ze vervoerden ook boeddhistische teksten en beelden met zich mee. Vanaf de 7de eeuw tijdens de Tang-dynastie wordt ze steeds sierlijker afgebeeld en krijgt ze androgyne vormen. Guanyin veranderde daarmee in een symbool van de Eeuwige Moeder, met een moederlijke aanwezigheid: zacht, beschermend en troostrijk, dat aansloot bij de van oorsprong bekende taoïstische godin van de volksdevotie in China.
In China bestaan er allerlei legenden over KwanYin. De meest bekende gaat over Miaoshan, dochter van de keizer. Ze verlangde ernaar een spiritueel leven te leiden en wilde zich wijden aan de verlichting van het lijden van de mensheid, maar haar vader verbood dat. Ondanks alle tegenwerking bleef ze trouw aan haar ideaal. Ze werd ter dood veroordeeld. Op wonderbaarlijke wijze kon zij ontsnappen en vanaf die tijd leefde ze toegewijd aan haar ideaal op een heilige berg. Toen haar vader ernstig ziek werd, kon hij alleen gered worden door een medicijn dat gemaakt was van de ogen en armen van iemand die geen enkel spoor van kwaadheid in zich droeg. Toen Miaoshan hoorde over de ziekte van haar vader, offerde zij haar ogen en armen op om haar vader te redden. Hij ontdekte wie het was die hem het medicijn gegeven had en was diep geraakt dat zijn dochter dit voor hem had overgehad. De hemel schonk Miaoshan duizend armen en duizend ogen, waarmee zij alle levende wezens zou kunnen zien en te hulp komen. Er is een eiland Putuo Shan, het is een pelgrimsoord aan de oostkust van China en is een van de vier heilige bergen van het Chinese boeddhisme. Het eiland wordt beschouwd als de verblijfplaats van Kwan Yin. Sinds de negende eeuw is het een pelgrimsoord waar oneindig veel mensen sindsdien naartoe gaan tot op de dag van vandaag om eer te bewijzen aan KwanYin. Aan de kust staat een enorm gouden beeld van haar.
KwanYin is één van de meest geliefde gestaltes van het Chinese boeddhisme en voor Trees was zij van grote betekenis. KwanYin, betekent: zij die luistert naar de noodkreten van de wereld. KwanYin is grenzeloze compassie, wijsheid en liefde. Ze wordt op velerlei manieren afgebeeld, afhankelijk van de cultuur en het land van herkomst waarin het beeld is gemaakt. Het beeld dat tijdens de sesshin van Maha Karuna op het altaar staat is in Indonesië gemaakt. Ze draagt een kruik in haar handen, waaruit zij haar compassie als zoete nectar over de wereld laat stromen. Haar gestalte met de sierlijke gewaden en het serene gezicht drukt mildheid en elegantie uit. De ketting met het ornament om haar hals is een teken van haar blijvende verbondenheid met de wereld. De langgerekte oorlellen verwijzen naar wijsheid en verlichting. Ze staat op een voetstuk met wolken- en lotusmotieven, een teken dat ze zich boven de aardse wereld bevindt. De lotus groeit uit de modder en staat voor zuiverheid. In het voetstuk is een leeuw verwerkt, het wil zeggen dat mededogen ook moed vergt. Mededogen is niet alleen zacht en liefdevol, maar ook krachtig en onbevreesd. Ware compassie vraagt moed, vraagt soms ook om een zekere doortastendheid. Het vraagt ook om de bereidheid bij het lijden aanwezig te blijven, niet weg te kijken, om oog in oog te staan met het verdriet van de ander. Het vergt moed om erbij te blijven, niet weg te lopen. Je hoeft niets te zeggen, maar er alleen bij te zijn. Maar het vergt ook moed om soms flink op te treden, soms is dat nodig en is dat compassievol. Het beeld van KwanYin op het altaar staat er om ons te herinneren aan de compassie in onszelf. Wij hebben die compassie in ons en die kwaliteit groeit in onze beoefening door de stilte in te gaan. Daarmee voeden we die kwaliteiten.
Compassie en wijsheid in het boeddhisme zijn twee fundamentele kwaliteiten. In oosterse tempels treffen we daarom Kwan Yin vaak aan naast de Boeddha en meestal staat er ook een beeld van Manjushri, de bodhisattva van de wijsheid. Het drukt uit dat compassie zonder wijsheid geen zuivere compassie is en dat wijsheid zonder compassie een kille bedoening is. Beide kwaliteiten komen alleen tot hun recht als ze in evenwicht zijn met elkaar. Wijsheid en compassie worden daarom verbeeld als de twee vleugels van een vogel; de vleugels maken het mogelijk dat de vogel kan vliegen; compassie en wijsheid zijn zo in balans. Als compassie niet samengaat met wijsheid, spelen persoonlijke gevoelens een rol en is het geen zuivere compassie. Als het ego erdoorheen sijpelt, verliest compassie haar belangeloze karakter. Zuivere compassie stroomt belangeloos vanuit het hart, door ’niet iets te doen’, ook wel wuwei genoemd, een taoïstisch begrip. Het wil zeggen dat compassie spontaan, onbevangen en in harmonie in het moment ontstaat. Het ontvouwt zich in het handelen zelf, zonder berekening of egogericht streven.
De Soetra van Kwan Yin is een eeuwenoude boeddhistische tekst die op muziek is gezet van de Slavisch-orthodoxe liturgie: een bijzondere ontmoeting van christendom en boeddhisme. In het eerste deel van de soetra worden haar kwaliteiten bezongen. In het tweede deel, dat gebaseerd is op passages uit de Lotussoetra, neemt zij elke mogelijke vorm aan om mensen te kunnen helpen. Ze verschijnt in een gedaante die op die tijd en plaats de meest heilzame werking heeft: als een kind, een hoogbejaarde, een monnik of een non, een zwerver of heilige, de christelijke Verlosser of de Sjechina uit de joodse mystiek. Wij zijn allemaal dragers van de compassie van Kwan Yin in deze wereld. In de meditatie ontwikkelen we deze kwaliteiten, die vervolgens hun vertaling krijgen in ons handelen. Ze werken in ons door en krijgen via ons gestalte in de wereld.
Als we zitten, richten we ons naar binnen, altijd in verbinding met de wereld. Op het kussen openen we ons voor het lijden van de wereld. We zitten als een berg, met een krachtige rug die alles kan dragen en een zachte voorkant die alles met mildheid ontvangt; als een berg, stabiel en alert en we brengen zo onze boeddhanatuur tot uitdrukking. We zitten nooit alleen voor onszelf, maar altijd voor alle anderen. We zitten met het verlangen om het lijden van onszelf en van alle levende wezens te verlichten en om met de chaos van de wereld en de bodemloosheid van ons eigen bestaan om te kunnen gaan. We zitten voor de vrede in de wereld.
Het altaar is een centrale plek van de zendo en van ons huis en onze leefruimte, die de overgang naar het sacrale markeert en ons steeds weer herinnert aan onze beoefening. Iedere keer als we op ons kussen plaatsnemen, zijn we ons ervan bewust. In het ritueel van de meditatie brengen we dit tot uitdrukking, waarin we ons verbinden met een diepere werkelijkheid en het onzichtbare zichtbaar wordt.
Tot besluit een citaat uit de Jongeling van Dostojewski.
“Alles is een geheim, in alles is het geheim van het Ene. In iedere boom, in ieder grassprietje zit hetzelfde geheim. Of er een klein vogeltje zingt of dat ’s-nachts het hele sterrenstelsel aan de hemel flonkert, het is allemaal één en hetzelfde geheim. Maar het allergrootste geheim is wat de mensenziel in gene wereld wacht…. En dat ze een geheim is, maakt de wereld nog beter: het is ontzagwekkend en wonderbaarlijk, maar dat ontzagwekkende maakt het hart blij. We zijn allen deel van het Mysterie.”


Geef een reactie