‘Gecondoleerd met je ouders, Hans.’
‘Dank je.’
‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Hebben ze ooit ergens anders geleefd?’
‘Voordat ze doodgingen leefden ze in de werkelijkheid.’
‘Dat denk jij.’
‘Bedoel je dat er geen werkelijkheid is buiten onze gedachten?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Bedoel je dat we nooit aan onze gedachten kunnen ontsnappen?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Het zijn allemaal maar gedachten.’
‘Deze ook.’
‘Wat bedoel je dan?’
‘Bedoelingen ook.’
‘Deze zeker ook.’
‘Kun je nagaan.’
‘Waar troost jij jezelf dan mee?’
‘Hiermee.’

