1
‘Gecondoleerd met je ouders, Hans.’
‘Dank je.’
‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Maar onze gedachten niet in hen.’
2
‘Gecondoleerd met je ouders, Hans.’
‘Dank je.’
‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Maar wij niet in de hunne.’
3
‘Gecondoleerd met je ouders, Hans.’
‘Dank je.’
‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Alsof die niet vergankelijk zijn.’
4
‘Gecondoleerd met je ouders, Hans.’
‘Dank je.’
‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Ik benijd ze niet.’

