Over de Overlever die ons beschermt tegen wat hij niet durft voelen
In onze vorige column schreven we over mensen voor wie kwetsbaarheid verboden terrein is geworden.
Niet omdat angst, verdriet of verlangen op zichzelf gevaarlijk zijn, maar omdat deze gevoelens ooit verbonden raakten met eenzaamheid of machteloosheid.
Een kind kan daaruit iets leren wat later diep in lichaam en geest verankerd blijft:
Dit moet ik nooit meer voelen
Maar gevoelens verdwijnen niet doordat ze verboden worden.
Wanneer kwetsbaarheid zich toch aandient, kan iets anders naar voren komen: boosheid.
Niet de boosheid die ons vertelt dat een grens wordt overschreden of dat ons onrecht wordt aangedaan. Die boosheid hebben we nodig.
We bedoelen de boosheid die voorkomt dat we hoeven te voelen wat daaronder gebeurt.
Een partner trekt zich terug.
Een vriend reageert niet.
Een kind kiest op dat moment liever voor de andere ouder.
Van buiten gebeurt er misschien niet zoveel. Van binnen kan iets ouds worden geraakt:
Ik ben niet belangrijk.
Ik word alleen gelaten.
Ik mag er niet zijn.
Voor wat wij de Overlever noemen, kan daarmee oud gevaar opnieuw dichtbij komen.
Boosheid biedt dan bescherming.
Zij maakt groot waar angst ons klein doet voelen. Zij geeft een gevoel van macht waar machteloosheid dreigt. En zij richt onze aandacht op wat de ander verkeerd doet.
De beweging kan razendsnel gaan:
van angst naar verwijt,
van onzekerheid naar zekerheid,
van ik ben bang je kwijt te raken naar jij deugt niet.
Dat laatste kan veiliger voelen. Dan hoeven we minder te voelen hoeveel we de ander eigenlijk nodig hebben.
Zolang de ander het probleem is, hoeven we onze eigen kwetsbaarheid niet te ontmoeten.
Een werkelijkheid die zichzelf bevestigt
Daar komt nog iets bij.
Wie bang is verlaten te worden, ziet gemakkelijker signalen van afstand. Wie bang is niet belangrijk te zijn, merkt vooral wanneer iemand geen rekening met hem houdt.
Zo kan onze blik op de werkelijkheid vernauwen.
En dan gebeurt er iets tragisch.
Ik ben bang dat jij afstand neemt.
Omdat ik die angst niet kan verdragen, word ik boos of controlerend.
Jij trekt je daardoor werkelijk terug.
Mijn Overlever concludeert:
Zie je wel. Ik wist dat je mij zou verlaten
Zo kan de bescherming uiteindelijk bijdragen aan precies datgene waarvoor zij ons wilde behoeden.
Dat kan ook verklaren waarom sommige conflicten zo hardnekkig worden. Onder woede en controle kan een diep verlangen naar verbinding liggen, terwijl juist het beschermingsgedrag die verbinding steeds moeilijker maakt.
We zeggen:
Jij luistert nooit.
Terwijl er misschien ook iets anders leeft:
Ik ben bang dat ik je kwijtraak.
Ik voel me alleen.
Ik heb je nodig.
Die laatste woorden kunnen veel moeilijker zijn dan boos worden.
Niet meteen handelen
Daar begint voor ons de Innerlijke Volwassene.
Niet door de boosheid af te wijzen. De boosheid probeert immers iets te beschermen.
Maar door niet onmiddellijk te handelen.
Eerst voelen.
Blijven.
Kijken.
Wat gebeurt er in mijn lichaam?
Waar ben ik bang voor?
Wat weet ik werkelijk over de ander?
En wat vul ik in?
Tussen voelen en handelen ontstaat dan een kleine ruimte.
Daar herkennen we iets wezenlijks uit de boeddhistische traditie.
Niet ieder gevoel hoeft onmiddellijk opgelost, veranderd of gevolgd te worden.
Angst mag angst zijn.
Boosheid mag boosheid zijn.
Verdriet mag verdriet zijn.
Het gevoel is er al. Het lijden wordt vaak groter door de betekenis die we aan dat gevoel geven. Dat gebeurt automatisch; het is geen bewuste keuze. Juist daarom is het belangrijk niet meteen tot actie over te gaan.
Het verhaal ligt vaak al klaar, maar we hoeven er niet onmiddellijk naar te handelen.
Dat is geen passiviteit.
Het kan veel meer moed vragen om even bij machteloosheid te blijven dan om vanuit boosheid terug te slaan.
De Innerlijke Volwassene kan zo iets doen wat het kind niet kon:
bij het gevoel blijven.
Niet alleen.
Niet machteloos.
En pas daarna kijken wat deze werkelijkheid werkelijk van ons vraagt.
De bedoeling is niet dat de boosheid verdwijnt.
De bedoeling is dat de Overlever boosheid niet langer hoeft te gebruiken als bescherming.
Zodat achter het pantser ook weer zichtbaar mag worden wat daar al die tijd was:
angst, verdriet, verlangen en kwetsbaarheid — en soms ook de boosheid die werkelijk iets te zeggen heeft.


Siebe zegt
Ik snap het wel maar als je de Pali teksten mag geloven is boosheid niet beschermend. Er wordt niks positiefs over gezegd. Het wordt niet gezien als heilzaam ook. Er is zelfs de gelijkenis van de zaag. Zelfs al zaagt een bandiet je ledematen af, koester alleen maar liefdevolle gedachten (MN21).
Mijn gevoel bij jullie artikel is…en ook mijn eigen ervaringen…zolang je psychologisch functioneert zal je nooit echt in balans zijn, altijd belast en er kan geen einde zijn aan lijden. Met ‘psychologisch functioneren’ bedoel ik dat je leeft met en vanuit het besef dat je als een soort psychologisch-Ik , als een soort wezentje in je hoofd bestaat en ziet, ruikt, voelt, hoort, kent, dingen beleeft behoeften hebt, verlangens etc.
Psychologie neemt als uitgangspunt dat je ook echt een psychologisch wezen bent. Maar IS dat wel zo? Als je psychologisch functioneert beleef je dat wel zo maar Is het ook zo?
Psychologisch is er echt altijd wel wat, vind ik. Het duurt nooit lang of het is weer drama. Je bent weer tekortgedaan naar je gevoel, weer gekwetst, weer…dit psychologisch lijden is toch echt een gebed zonder einde..?
Het psychologische nut, de waarde, betekenis van emoties (zoals de boosheid die jullie bespreken) snap ik wel vanuit een soort common sense (Ik besta als psychologisch wezen). Maar klopt het wel? Klopt het wel dat dit nut er echt is, als we als psychologisch wezen eigenlijk niet eens echt bestaan?
Luuk Mur zegt
Dank voor je reactie, Siebe. Twee punten ter verduidelijking.
Nergens schrijven we dat boosheid heilzaam zou zijn. We beschrijven slechts hoe boosheid conditioneel kan ontstaan als bescherming tegen angst, machteloosheid of kwetsbaarheid.
Ook veronderstelt ons psychologische model geen werkelijk, afzonderlijk psychologisch ik. De Overlever, Strateeg en andere delen zijn namen voor veranderlijke processen die in het gewaarzijn verschijnen. Geen ervan is een zelfstandig zelf.
Juist daarin zien wij een duidelijke aansluiting bij het boeddhistische inzicht van niet-zelf: wat verschijnt, hoeft niet te worden aangezien voor wat wij zijn.
Siebe zegt
Hallo Luuk.
Jullie zeggen in het artikel:
“Wanneer kwetsbaarheid zich toch aandient, kan iets anders naar voren komen: boosheid.
Niet de boosheid die ons vertelt dat een grens wordt overschreden of dat ons onrecht wordt aangedaan. * Die boosheid hebben we nodig”*.
Hier zeggen jullie toch met zoveel woorden dat boosheid goed is, nuttig, heilzaam, nodig?
Luuk Mur zegt
Met “die boosheid hebben we nodig” bedoelen we dat boosheid een signaalfunctie kan hebben: er kan werkelijk een grens worden overschreden of onrecht plaatsvinden.
Voor mij is er op zichzelf niets mis met het voelen van boosheid. Zij verschijnt, net als angst en verdriet. De vraag is wat er daarna gebeurt: vallen we ermee samen en handelen we er automatisch naar, of kunnen we haar in gewaarzijn laten verschijnen zonder haar meteen te volgen?
Dat onderscheid proberen we in het artikel te maken.
Rob van Boven zegt
Wat mij betreft is boosheid een act van liefde. Ik heb het dan over de energie. Hoe we vervolgens omgaan met boosheid bepaalt de kwaliteit van ons ons handelen. De kwaliteit van van handelen wordt negatief als we het adresseren op een adres wat niets te maken heeft met onze boosheid. Tevens wordt het beschadigend als we met een lading komen in het hier en nu die voor het grootste deel voortkomt uit situaties waar we niet vrij waren om onze boosheid te adresseren.
Als iets wat me lief is akelig benaderd wordt is boosheid het signaal in ons, dit is niet goed is voor datgene wat me lief is.