Het leven is ook een landkaart, met een legenda. Het duurde lang voor ik de weg vond in de kaart van mijn bestaan. Ik dwaalde regelmatig af van het rechte pad. Ik was soms de weg kwijt.
Dat legde ik gisteren uit aan vriendin Z. die op bezoek was.
Ze zei: “Ik wil je.” En ze nam een grote hap van de moorkop die ik serveerde.
Ik zei: ‘Ik ben niet disponibel.”
De vriendin keek beteuterd. Ik legde uit dat ik mezelf te labiel vond voor een relatie. In de kaart van mijn leven wil ik even geen dame tegenkomen. Zij die ik zal vinden resideert in een Pools oerbos. Ik moet een Duitse Autobahn nemen om haar te bereiken. Zal ik in de rolstoel gaan liften op de snelweg?
De vriendin zei: “Ik heb keuzestress.”
Ik antwoordde: “Ik heb weinig meer te kiezen.”
Vroeger, voor Google Maps, had ik allemaal kaarten in mijn auto liggen. Van Limburg, Nederland, Duitsland en België. Zonder kwam ik nergens, al was ik een slechte kaartlezer, ik denk door mijn betrekkelijke onvermogen om abstract te denken. Mijn belevingswereld is mythologisch, met een constante strijd tussen goed en kwaad.
(Als kind tekende ik mijn eigen kaarten, met zeeën en gebergten, en Poseidon. Ik verbrandde de randen van die kaarten om een authentieke touch te genereren. Met koffie maakte ik ze antiek geel.)
Ik wil vanmiddag de moeder van alle zinnen schrijven, maar het lukt niet, wat ik wijt aan het polaire weer, dat m’n botten verkleumt en het gemoed doet huiveren.
De uitbundigheid van oude vrienden onder elkaar. Hun vertrouwen en moed. Vooral geen vrouwen erbij; daar komt alleen maar kortsluiting van – waarvan akte.
Een Trappist drinken door te visualiseren dat ik een Trappist drink. Met een elf, als ze maar mythisch is.
Als kind had ik zo’n levendige fantasiewereld, dat ik er een speciale, uiterst geheime naam voor verzon, die ik nog steeds nooit zal onthullen wegens te particulier.
“The map that you painted, didn’t seem real”, zong Michael Stipe.
Maps and legends, heet het liedje.
Mijn huidige legenda staat vol symbolen die ik niet begrijp. Abstraheren van details, het paradigma schrijven. Maar het is maandagmiddag, en in mij resoneert de blues.
Ik wil het lied van de liefde en de dood neerpennen. Alleen kan ik geen noten lezen. Wel altijd muziekliefhebber geweest. Ik hield er opgeblazen oren aan over. Concerten. Festivals. Tralala. Tinitus.
Tastend door het leven gaan. Steeds de communicatieve frequenties bijstellend. Vriendelijk, beleefd en geduldig zijn. Dat is de beste smeerolie voor het dagelijks bestaan. Zo herstelde ik de band met mijn familie. Enige autofelicitatie is wel op z’n plaats. En al die tijd droog staan. Soms had ik zo’n zucht naar alcohol, dat ik onder het behang wou kruipen.
Ergens een bang jongetje gebleven, dat niettemin het leven onverschrokken tegemoet liep. Ik betrad veel kaarten, las talloze legenda’s. Ik kwam tot de conclusie dat we de maatschappij hebben die we verdienen. In Nederland zit je goed, maar ik heb last van gure neo-liberale wind. Ik moet ook al plassen in een urinaal. Het moet niet gekker worden.
Toch lukt dat. Roommate X. is constant hysterisch, omdat ik haar geen aandacht geef. Ik zwijg nu al drie dagen tegen haar, laat haar drama van me af glijden. Er is geen andere remedie. Ik ben niet van hout. Ik moet mezelf beschermen.
Vandaag zou mijn zoon komen, maar hij belde af. Dringende bezigheden elders. Nog zo’n man van kaarten en legenda’s. Hij reist graag en veel, net als ik vroeger. We zijn allebei van de plattegronden. We weten overal de weg. En als we verdwalen, laten we ons leiden door elfen en trollen, en fluisterende sirenes. Zo vinden wij onze weg in de wereld.


Peter Pijls zegt
Ik schreef deze column in de tijd dat ik nog beschermd woonde in Venray. De tekst is ongeveer acht jaar oud.