Dit is de plaats, van waaruit alle wezens uit de oceaan van ontstaan en vergaan worden bevrijd.

Bij ieder element in deze zin kun je vraagtekens zetten. Wat is een ‘oceaan van ontstaan en vergaan’, een oceaan nog wel? Over ‘alle wezens’ hebben we het gelukkig al gehad. En weer dat woord ’bevrijden’. En als deze plaats in eerste instantie naar ons meditatiekussen verwijst, hoe zouden we zittend op een kussen ook maar één iemand kunnen bevrijden. Het is maar één zin, maar het is een ‘mer à boire’. Ontstaan en vergaan gaat over de vergankelijkheid, de impermanentie, de onbestendigheid van alles. Anicca heet het in het Pali. Het is samen met dukkha (lijden) en anatta (niet-zelf) een van de drie kenmerken van de werkelijkheid.

Wellicht is anicca van de drie het eenvoudigst uit te leggen. Je kunt er moeilijk naast kijken. Alles om ons heen is vergankelijk. Alles wat ontstaat zal op een bepaald ogenblik weer vergaan. Ook wijzelf.

Van Shunryu Suzuki is de uitspraak: leven is uitvaren met een schip waarvan je zeker bent dat het op zee zal vergaan. Op het eerste zicht kan dat schokkend overkomen. Op het tweede zicht kun je je afvragen of je daar nu zo een grote zenmeester moet voor zijn om zo een banale uitspraak te doen. Dat weet toch iedereen, dat we allemaal ooit doodgaan. Maar het zit niet lekker. We hebben het er moeilijk mee.

In de Upajjhatthana Sutta raadt de Boeddha mannen en vrouwen, monniken en leken aan de volgende vijf feiten te overwegen.

Het is mijn natuur dat ik oud word Er is geen weg om aan oud worden te ontkomen.
Het is mijn natuur dat ik ziek wordt Er is geen weg om aan ziekte te ontkomen.
Het is mijn natuur dat ik dood ga. Er is geen weg om aan de dood te ontkomen.

Alles wat me dierbaar is en iedereen waar ik van houd, veranderen van nature steeds Er is geen weg om te voorkomen dat ik van hen gescheiden raak.

Mijn gedrag maakt mij wie ik ben, ik ben er de dader van, ik ben er verantwoordelijk voor, ik draag er de gevolgen van Wat ik ook doe, ten goede of ten kwade is mijn verantwoordelijkheid.

De Avatamsaka Sutra noemt het heel poëtisch een oceaan van ontstaan en vergaan. Het is onnoemelijk wijds en we zitten er midden in. Er is geen ontkomen aan.
Als je een beetje doordenkt kun je begrijpen dat als er geen ontstaan en vergaan zou zijn, dat alles dan tot stilstand zou komen. Dat zou pas echt dood betekenen. Het leven is maar mogelijk door de constante flux van ontstaan en vergaan. Als de oceaan bevriest is het met het leven gedaan. Met ons verstand is dat gemakkelijk te begrijpen, maar het is een magere troost. We zijn als de dood voor het ontstaan en vergaan in en rond ons.

Dat is niet helemaal waar. Soms snakken we naar verandering. Maar dan wel in de zin van beter, meer, spannender, leuker. We hebben niets tegen ontstaan en vergaan zolang het maar op onze voorwaarden is. Maar dat is niet waar de oceaan van ontstaan en vergaan op slaat. Het leven heeft de onhebbelijke gewoonte zich niet aan onze voorwaarden te houden. Daar gaat het over.

Als mensen hebben we veel strategieën  om aan het onontkoombare te ontkomen. We zoeken allerlei vluchtwegen. Flagrante ontkenning is er één van. Tegen alle evidentie in postuleren we een onsterfelijke ziel. In de hemel zien we elkaar wel terug.  Of een eindeloze reeks van reïncarnaties. Er komt nog een kans in een volgend leven.

Het is een bruikbare redenering om de pijn van de oceaan van ontstaan en vergaan niet aan ons hart te laten komen. Waarom zouden we iets doen aan sociaal onrecht als het in de hemel toch in orde komt, of als het toch de schuld is van negatief karma uit een vorig leven. Uiteraard, het zijn een voor een drogredenen, maar ze komen veel voor.
Een andere strategie is onthechting. ‘Ik sta daar boven.’ Als je je niet bindt, kun je niets verliezen. Als je je niet engageert word je niet ontgoocheld. Deze strategie is bijzonder populair in boeddhistische middens: je nergens aan binden. Ook deze ontsnappingsroute maakt ons meedogenloos als we gaan vinden dat de ander zich maar niet zo had moeten hechten. Een dolk in iemands hart, met een zweem van heiligheid.

Zo raken we bijzonder gehecht aan niet gebonden zijn. Maar echte onthechting is het engagement aangaan met de bereidheid erbij om de pijn van het verlies te voelen. Want het is juist omdat we zo bang zijn van deze pijn, omdat we deze pijn niet willen riskeren dat we zo krampachtig met onszelf en met anderen omgaan.

Het boeddhisme kan nog een mooie vluchtweg bieden: ‘ontstaan en vergaan zijn maar illusie’. In de ervaring van eenheid is er geen ontstaan en vergaan. In het absolute perspectief is alles met alles verbonden. Dat is zeker een diepe waarheid. Als dat een diep doorleefd besef is, kan het een diepe bron van vrijheid zijn. Maar het is geen doekje voor het bloeden.
Nogmaals: al deze ontsnappingsroutes zijn perverteringen van wat diepe waarheden zouden kunnen zijn. Helaas is alles, ook het diepste, perverteerbaar. Het geeft een wrang gevoel, al deze heilloze manieren waarop we proberen te  ontsnappen aan de oceaan van ontstaan en vergaan. De grens tussen cynisme en wijsheid is soms flinterdun.

Wat biedt hier bevrijding? Bevrijding zit diep in het DNA van het boeddhisme. In de Pali-canon vinden we de prachtige tekst: zoals de zee vele schatten herbergt maar slechts één smaak, die van zout, zo ook bevat de dharma vele schatten maar slechts één smaak, die van bevrijding. Het is duidelijk dat hier niet het ophouden van ontstaan en vergaan bedoeld wordt. Dat gaat eindeloos door.

Het is als de formule van de vier edele waarheden. Daar staat dukkha, lijden, centraal. In de eerste edele waarheid worden o.a. geboorte, ziekte, ouderdom en dood genoemd als voorbeelden van lijden. Maar als er in de derde edele waarheid sprake is van het opheffen van het lijden, betekent dat niet dat er een einde komt aan geboorte, ziekte, lijden en dood.
Waar moeten we dan wel van bevrijd worden? Wel, waar zitten we in gevangen? In onze angst, in onze bevangenheid door de oceaan van ontstaan en vergaan. Daar gaat het over. De grootste gift is de gift van geen angst, wordt er gezegd.

Dit is de plaats. Wat kunnen we op ons kussen doen voor de bevrijding van alle levende wezens? Laat ons er alvast met één van beginnen, met onszelf.
Onze praktijk is er een van komen zitten, met een open geest en een open hart, met een mateloos mededogen. Hoeveel seconden heb je dan nodig om een glimp op te vangen van de oceaan van ontstaan en vergaan? Als je komt zitten en kijkt, zit je er meteen middenin. En dat is wat we doen, er midden in gaan zitten, zonder ontsnappingsroutes en met een mateloos mededogen.

Het vraagt moed. Zonder iets om aan vast te klampen, zonder vaste grond onder de voeten. Midden in de oceaan van ontstaan en vergaan.
Maar het geeft ook moed. Bevrijding zit daar waar we het niet verwachten. We ontdekken er de mogelijkheid om met grote vrijheid onbevangen midden in de oceaan van ontstaan en vergaan te zitten, te staan, te bewegen, te leven .

Daarin verschilt onze meditatietraditie van tradities waar in de meditatie gestreefd wordt naar bepaalde ervaringen of waar getracht wordt de geest te controleren, meer standvastig te maken en alvast de oceaan van ontstaan en vergaan in onze geest te bedwingen.

Als we zonder iets te forceren met grote moed en mateloos mededogen de oceaan van ontstaan en vergaan tegemoet treden, groeit er diep vertrouwen in het leven. Een leven in de maalstroom. Een leven waarvan we goed genoeg weten dat we er ooit aan ten onder zullen gaan. Dat geeft ons de moed om onbevreesd en goed gemutst uit te varen met het schip waarvan we zeker weten dat het op zee zal vergaan. Dat is bevrijding.

Maar er staat ‘alle wezens’. Zelfs als we dit begrijpen als ieder wezen op ons pad, hoe kan iemand geholpen zijn, laat staan bevrijd, door mijn zitten op een meditatiekussen? ‘Als je hem wil helpen, ga dan zitten’, zei Masoa Abe tegen Ton Lathouwers toen die met zijn handen in het haar zat over iemand die hem zeer dierbaar was.

In mijn bevangenheid tegenover de oceaan van ontstaan en vergaan hou ik ook de ander gevangen. In mijn angst ontneem ik de ander zijn ruimte.
Als ik in staat ben de ander te helpen dan is mijn angst zeker niet het ideale vertrekpunt. Als ik niet bij machte ben de ander te helpen, maakt mijn angst het mij ronduit onmogelijk de ander in de oceaan van ontstaan en vergaan nabij te zijn, ook als ik niets kan doen.

Enkel vanuit mijn moed en vertrouwen om te leven, en ten onder te gaan, in de oceaan van ontstaan en vergaan, kan ik de ander nabij zijn. Mijn golf van angst kan enkel meer golven van angst in beweging brengen. Mijn onbevangenheid kan als een golf uitwaaieren en resoneren met de moed en het vertrouwen van de ander.
Dit is waar ik verantwoordelijk ben. Deze praktijk is nooit enkel voor jezelf. De grootste gift die je kunt geven is de gift van geen angst. Het begint hier, op deze plek. 
Dit is de plaats.

Dit was deel vier in een serie over het commentaar bij de verzen uit de Gandhavyuha zoals zoals ze gezongen worden in de Mahakaruna Chan traditie.
(wordt vervolgd)

Categorieën: Achtergronden, Boeddhisme, Dharma en filosofie
Tags: , , , , , , , , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

1 reactie op Luisteren naar iemands verdriet leer je in de eerste plaats op je kussen (4)

  1. Piet Nusteleijn schreef:

    Op deze plaats, nu, hier, is het licht uiterst scherp. Met uitzicht….fenomenaal. Dank voor de vierluik.

Menu