Ik zie in innerlijke vrede – hoe diep en constant ook – geen teken van iets groters of hogers, zoals verlichting, onthechting of eenwording.
In innerlijke onvrede zie ik geen teken van iets kleiners of lagers, zoals onwetendheid, gehechtheid of afgescheidenheid.
Vrede is vrede, onvrede is onvrede, ze duren zolang ze duren.
Niet-weten is voor mij geen eenvoudige gemoedstoestand maar een drievoudig onvermogen.
Het onvermogen om tot definitieve onderscheidingen te komen en heilig te geloven in de door anderen of door mezelf bedachte indelingen.
Het onvermogen om tot definitieve verklaringen te komen en heilig te geloven in de door anderen of door mezelf bedachte ideeën.
Het onvermogen om tot definitieve oplossingen te komen en heilig te geloven in de door anderen of door mezelf bedachte idealen.
Door mijn drievoudige onvermogen staan al mijn gedachten over de werkelijkheid tussen haakjes, tussen vraagtekens, tussen aanhalingstekens.
Mijn werkelijkheid is ‘werkelijkheid’ geworden. Mijn indelingen zijn ‘indelingen’, mijn verklaringen ‘verklaringen’, mijn idealen ‘idealen’.
Mijn mij is altijd ‘mij’ voor mij, mijn mijn is altijd ‘mijn’. ‘Mijn’ werkelijkheid, ‘mijn’ indelingen, ‘mijn’ verklaringen, ‘mijn’ idealen. ‘Mijn’ huis, ‘mijn’ lijf, ‘mijn’ leven.
Dit is hoe ‘het niet-weten’ ‘mijn’ ‘gemoed’ ‘verlicht’: al mijn woorden hangen in de lucht.
Deze woorden ook.

