Kan ik alleen door het te willen van het ene moment op het andere het tegenovergestelde willen van wat ik daarnet wilde? En nog eens? En weer? Dat lijkt mij namelijk de enige interessante vorm van vrijheid. Dat je de meester bent van je wil, niet de slaaf.
De vrije wil, waar vind ik hem? Als ik bij mezelf naar binnen kijk kan ik niet het geringste spoortje vrije wil ontdekken. Nog ongericht, bedoel ik, vrij door mij te gebruiken voor een subject of object naar keuze, zolang ik wil, op ieder moment te veranderen.
Nee, in mijn beleving ben ik niet vrij om te kiezen wat ik wil. Ik ben gebonden aan wat het ook maar is dat ik wil, of dat er in mij gewild wordt, of voor mij. Ik dans naar de pijpen van mijn onvrije wil, hij niet naar de mijne.
Soms stem ik in met mijn wil. Dan wil ik wat ik wil en wil ik niet wat ik niet wil. Dan klopt het. Minstens zo vaak wil ik iets mijns ondanks. Dan wil ik iets niet willen, of minder hard willen, of minder vaak willen, en heb ik simpelweg geen keus. Dan moet en zal ik het willen, of ik wil of niet. Of ik wil het juist wel willen, harder willen, vaker willen, en iets in mij verzet zich daartegen, iets dat sterker is dan ik.
Als ik wil wat ik niet wil, of niet wil wat ik wel wil, word ik voor mijn gevoel gewild. Waardoor? Wie of wat doet mij willen wat ik niet wil?
Stel dat er zoiets is als een wil, een agens die verantwoordelijk is voor mijn willen en waarop ik mijn verantwoordelijkheid kan afschuiven. Dan is dat van mij uit gezien een onvrije wil, die niet naar mij luistert maar naar zichzelf. Tenzij hij op zijn beurt onderhorig is aan, ja wat, een hogere wil? Het zenuwstelsel? Hormonen? Mijn geschiedenis? De omstandigheden?
Als er geen ik is en geen wil, zoals het leegteboeddhisme suggereert, dan is er alleen blote begeerte, zonder eigenaar. Zijn alle verschijnselen illusies in albewustzijn, zoals de advaita vedanta suggereert, dan is de persoon dat ook, evenals het vraagstuk van de vrije wil en deze beschouwingen erover.
Hoe het werkelijk zit met de vrije wil – ik weet het nog altijd niet. Onderzoeken kan ik het wel, al weet ik niet of ik dat doe uit vrije wil, niet of ik wat zal vinden, niet of er een ik is, niet of er iets te vinden valt, anders dan de slotsom tot nu toe: geen idee.
Over de vrije wil praten moet en zal ik, of ik of niet-ik wil of niet – en onveranderlijk vanuit het non-perspectief, het multiperspectief, van niet-weten.

