‘Zonder vrije wil kun je niet eens tegen een ander zeggen ‘doe dit’ of ‘laat dat’ of ‘je moet’ of ‘je mag niet’, Hans.’
‘Zonder vrije wil kun je het niet eens laten.’
‘Maar zonder vrije wil kan de ander het niet ter harte nemen.’
‘Zonder vrije wil kan hij dat ook niet tegengaan.’

