Er is een tijd geweest dat ik een veelgevraagd spreker was op uitvaarten van familie, vrienden en kennissen. Niet dat ik me daar voor aanbood maar mijn omgeving vond dat ik daar uitermate geschikt voor was. Waarom weet ik niet. Ik ben geen lachebekje, mogelijk daarom. En taalvaardig, dat wel.
Weigeren kon niet, dan werden de nabestaanden boos en nog meer verdrietig. Als ik nee zei, werd ik onder druk gezet. Het was nog net niet zo dat ze dan met spandoeken voor mijn deur stonden: Joop, kom je huisje uit. Ik reisde onbezoldigd het hele land door en hief een keer vroeg in de ochtend staand achter een spreekgestoelte een glas jenever op het leven van de overledene. Of liet foto’s zien of attributen -aangereikt door de omgeving- die verbonden waren met de dode. Terwijl ik het liefst onopvallend stil wilde zijn.
Op een dag zei ik dat ik geen spreker meer wilde zijn. En dat heb ik tot nu toe volgehouden. Al beschouwen sommigen mijn nee als tijdelijk.
Bij uitvaarten zijn ook verzorgers actief van uitvaartcentra. Ik vind ze gemaakt meelevend en behulpzaam. Het is een beroepshouding die je zo weg kan poetsen, merkte ik. Toen ik het overlijden van mijn broer Frans bij zo’n centrum kwam melden om de uitvaart te regelen, was er ook zo’n traantrekkende houding. Dek maar een bordje minder. Maar toen ik enthousiast begon te vertellen over het rijke, avontuurlijke leven van mijn broer, de verre reizen die hij maakte en de ontmoetingen, viel al snel dat kunstmatige rouwmasker af en genoten we van het leven van mijn broer. En natuurlijk was er verdriet. Gemis. Geen rouw. Wat een afschuwelijk woord.
Her ligt eraan hoe je zelf tegen de dood aankijkt. Ik heb op papier mijn afscheid van het leven geregeld, heb al een graf in de bosrijke omgeving van Beekbergen maar wilde een paar jaar geleden bij mij thuis toch nog wat praktische zaken regelen met een uitvaartverzorger. De man belde aan met een ernstige houding en gelaatstrekken. Ik probeerde hem op te beuren, zei hem dat ik geen kist wilde en ook geen toespraken. Als mensen iets over mij willen zeggen moeten ze dat tijdens mijn leven doen. We waren in vijf minuten klaar. Ik zag zijn blik afdwalen naar kunstvoorwerpen in mijn woning. Ik legde de achtergrond uit en wat ze voor mij betekenen. Zo werd het toch nog een genoeglijk uurtje. Hij ging geestelijk verfrist de deur uit.
Soms lopen uitvaarten uit de hand. De moeder van een vriend van mij was overleden. In de uitvaartruimte werd door mijn vriend en aanwezigen onder wie ik op haar leven met een glas wijn getoast, en nog een, en nog een. Op een piano werd haar lievelingsmuziek getingeld en de zaak liep vreselijk uit de hand. Het uitvaartpersoneel werd wanhopig, de volgende uitvaart stond al gepland. Maar kon moeilijk de ME op de menigte afsturen. Hun gezichten spraken echter boekdelen.
Er zijn -voor mij- ook merkwaardige uitvaarten. Toen ik nog onderzoeksjournalist/politieverslaggever was stierf een zware crimineel -door kogels in zijn lijf- in een klein dorpje waar hij woonde: waar iedereen elkaar kende. Voor politieverslaggevers is het belangrijk meer over zo’n crimineel te weten te komen, zijn contacten, zijn sociale omgeving om daar feitelijk en inhoudelijk over te kunnen schrijven voor het dagblad. Kijken en luisteren. Daarom wilde ik bij zijn uitvaart zijn.
Van een rechercheur kreeg ik het advies om mij voor te doen als uitvaartverzorger dus staken er uitvaartfolders uit de zak van mijn colbertje. En zo zat ik daar in mijn eentje op een lange houten bank in het uitvaartcentrum. Twee rijen voor en achter me zaten de dorpelingen die me volledig wantrouwden. Ik was niet een van hen. Dat schiep afstand.
Het leven is nooit saai.


Geef een reactie