‘Ik weet echt niet meer wat ik moet doen, Hans.’
‘Maar ik kan je precies vertellen wat er zal gebeuren.’
‘O ja, kun je nu ook al waarzeggen?’
‘Iedereen kan waarzeggen.’
‘En, wat zal er gebeuren?’
‘Je zult niets doen tot je in actie komt.’
‘Ja, zo kan ik het ook.’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat heb ik daar nou aan.’
‘Ik dacht dat het je misschien gerust zou stellen.’
‘Daar is heel wat meer voor nodig.’
‘Wat dan?’
‘Ik wil weten waarom ik nu nog niet in actie kom.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Ik wil weten wanneer het eindelijk zover zal zijn.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Ik wil weten wat ik dan ga doen.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Ik wil weten of ik juist zal handelen.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘En ik wil weten hoe het afloopt.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Nu weet ik nog niets.’
‘Je weet wat je weten moet.’
‘Wat dan?’
‘Dat je niets zult doen tot je in actie komt.’
‘En dan?’
‘Doe je iets tot je ophoudt.’
‘Ja, nogal wiedes.’
‘Dat zeg ik.’
‘Bedoel je dat ik alleen maar hoef af te wachten?’
‘Alleen voor zover je alleen maar hoeft af te wachten.’
‘Bedoel je dat alles vanzelf gebeurt?’
‘Alleen voor zover het vanzelf gebeurt.’
‘Bedoel je dat alles vanzelf op zijn pootjes terechtkomt?’
‘Alleen voor zover alles vanzelf op zijn pootjes terechtkomt.’
‘Bedoel je dat ik niet moet zitten gissen?’
‘Alleen voor zover je niet moet zitten gissen.’
‘Nu weet ik nog niet wat ik moet doen.’
‘Maar je weet precies wat er gaat gebeuren.’

