‘Stel, iemand betwist het voogdijschap over je kind, Hans. De rechter dreigt het kind in tweeën te hakken als jullie het onderling niet eens worden. Wat nu?’
‘Ik ben het met niemand eens of oneens.’
‘Uit principe?’
‘In de praktijk.’
‘Het is toch zeker jouw kind?’
‘Een kind is van niemand.’
‘Bedoel je dat je het kind zonder strijd zult afstaan?’
‘Wie weet.’
‘Bedoel je dat je misschien toch de strijd zult aangaan?’
‘Zou zomaar kunnen.’
‘Hoe kun je strijd rechtvaardigen als kinderen van niemand zijn?’
‘Strijd is ook van niemand.’
‘Wat als de rechter het kind aan een onafhankelijke partij toewijst?’
‘Dan hoeft hij het niet in tweeën te hakken.’

‘Ben je het daar dan wel mee eens?’
‘Ik ben het met iedereen eens en oneens.’
‘Uit principe?’
‘In de praktijk.’
‘Maar wat volgt daar dan uit?’
‘Dit.’

