‘Wat is de zin van het leven, Hans?’
‘Steeds een andere.’
‘Hè?’
‘Ga maar na.’
‘Hoe moet ik dat nagaan?’
‘Denk terug aan wat je als baby zinvol vond of zou vinden, als peuter, scholier, puber, jongvolwassene. Denk aan wat je in oorlogstijd zinvol vond of zal vinden, in vredestijd, in gevangenschap, na je vrijlating. Als rijkaard, armoedzaaier, hetero, homo, priester, activist. Als lamme, blinde, papa, opa, stervende, dode.’
‘Maar wat is dan de ware zin van het leven?’
‘Dat is dan de ware zin van het leven.’

