‘Volgens mij heeft het leven geen enkele zin, Hans.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat lijkt me nogal duidelijk.’
‘Heeft een letter zin?’
‘Als onderdeel van een woord.’
‘Heeft een woord zin?’
‘Als onderdeel van een zin.’
‘Heeft een zin zin?’
‘Als onderdeel van een tekst.’
‘Heeft een tekst zin?’
‘Als onderdeel van het vertoog.’
‘Heeft het vertoog zin?’
‘Die vraag heeft geen betekenis.’
‘Waarom niet?’
‘Het vertoog is nergens onderdeel van, waarvoor zou het zin moeten hebben?’
‘Waarvan is het leven onderdeel?’
‘Het leven is nergens onderdeel van, het omvat alles.’
‘Nou dan.’

