In een mooie maanbeschenen nacht komt een aantal oudere leerlingen van de Boeddha in een damarbos bijeen en zij bespreken de vraag aan welk soort monnik het bos zijn luister zou kunnen ontlenen.
Andre Baets
Na een leven als mens kan men op grond van goede daden wedergeboren worden in een hemel en is men per definitie een ‘godheid’.
In de Pali-Canon komen godheden (devata) regelmatig aan het woord. We zouden ze ook kunnen aanduiden als ‘hemelse wezens’. Het zijn geen wezens die van alle eeuwigheid in een hemel wonen. Ze zijn er ooit door vroegere verdiensten in terechtgekomen en zullen er ook weer uitvallen als hun verdiensten uitgeput zijn.
‘De Dhamma en de discipline door mij onderwezen en uiteengezet, zijn na mijn heengaan jullie leraar’
In het boeddhisme wordt de duivel Mara beschouwd als de personificatie van de Dood. Vaak wordt hij de Boze of de Verleider genoemd.
Ananda (deel 2)
Buiten dat hij gedurende 25 jaar de persoonlijke verzorgen van de Boeddha was, is Ananda vooral bekend voor zijn fenomenaal geheugen, wat hem in staat stelde om, tijdens het eerste concilie, alle leringen van de Verhevene te reciteren.
Karma kan ook in een later leven tot rijping komen
De Boeddha nuanceert de uiteenzetting over karma in het vorige sutta (2) en stelt nu dat karma uit dit leven niet altijd direct in het volgende leven gevolgen hoeft te hebben, maar ook pas in een later leven tot rijping kan komen. Daarom kunnen mensen die nu slecht leven in een hemelse wereld terechtkomen en die goed leven in de hel.
De Boeddha en zijn sangha (1)
De Boeddha moest naast een spiritueel leraar ook een goede wereldse organisator zijn. Als zoon van een raja was Siddhattha in een huis opgegroeid waarin politieke en juridische kwesties de dagelijkse gespreksstof vormden. Hoewel zijn denken vooral om filosofisch-religieuze thema’s draaide, bezat hij door zijn opvoeding toch meer juridische kennis dan de andere leiders van scholen in zijn tijd.
André – De pleisterplaatsen
“Wonderlijk, vriend, buitengewoon, vriend, zoals door een geleerde leerling, die de Leer van de Leraar goed begrijpt, die diepe vragen punt voor punt gesteld werden. Het is een groot voorrecht voor de medebroeders om de eerwaarde Sariputta te zien, om hem te vereren.”
‘Evam me sutam’, aldus heb ik gehoord – uposatha
Al van in de tijd van de Boeddha vormen de uposatha de ruggengraat van het boeddhistische jaar.
De Salla sutta – een vergelijking van twee vertalingen en overpeinzingen over vertalen in het algemeen.
Ik hoop dat de lezers van deze krant zullen beamen dat de oorspronkelijke teksten nog steeds de onovertroffen bron voor iedere waarheidszoeker op het gebied van het imperfecte van het bestaan zijn. En dat de vertaal- en begrijp-slag naar het Nederlands/Vlaamse taalgebied nog maar net begonnen is.
Upakkilesa-Sutta – Ruzie in de sangha van Kosambi
Uit het bovenstaande kunnen we ook afleiden dat er de eerste negen jaar van de missionering geen verbod voor monniken op het drinken van alcohol was. En dat daarna het verbod enkel gold voor volledig gewijde monniken, niet voor novicen. Later werd dan de regel – zoals we die nu kennen – uitgebreid tot alle kloosterlingen.
Het niveau van de getemde
Van belang is het woord ‘tembare’. De Boeddha gaat er in zijn voorbeeld van uit dat er olifanten, paarden of ossen [en in uitbreiding mensen] zijn die tembaar zijn maar die, als ze geen training krijgen, nooit uit zichzelf het gedrag van een tam dier zullen vertonen, nooit gedisciplineerd zullen zijn.
Noodzaak tot beheersing van de zintuigen
Men kan eigenlijk pas aan een meditatiepraktijk beginnen na een uitvoerige voorbereiding die bestaat uit het beoefenen van moreel gedrag en gematigd ascetisme, het bewaken van de poorten der zintuigen en het ontwikkelen van bewuste aandacht bij alle handelingen.



