Koan 31 – Een oud vrouwtje wijst de weg
Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel op de heilige berg Tai Shan.
Het vrouwtje antwoordde: Almaar rechtdoor.
De monnik liep verder en het vrouwtje zei zachtjes: Dan kom je er nooit.
Toen de monnik het aan meester Zhaozhou vertelde, zei die handenwrijvend: Ik zal haar eens aan de tand voelen.
De volgende dag zocht hij haar op, stelde dezelfde vraag en kreeg hetzelfde antwoord. Tegen de monniken zei hij alleen maar: Ik heb haar aan de tand gevoeld hoor.

31.1
Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje.
Doe een stapje naar voren, zong ze en deed een stapje naar voren.
Hoofdschuddend liep de monnik verder.
Doe een stapje terug, zong het vrouwtje en deed een stapje terug.
De monnik keek niet op of om.
Waarom vraag je het dan, mopperde het oude vrouwtje.
31.2
Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje.
Het vrouwtje pakte zijn handen vast en zong: ‘Doe een stapje naar voren, doe een stapje terug’ terwijl ze een stapje naar voren deed en een stapje terug.
De monnik keek haar verbaasd aan maar verzette zich niet en begon algauw mee te zingen en stappen.
Na een poosje gingen ze hijgend in de berm zitten. ‘Ik heb me in geen jaren zo vermaakt’, lachte de monnik. ‘Waar ben ik toch mee bezig?’
‘Ik heb me in geen jaren zo vermaakt’, giechelde het vrouwtje. ‘Waar ben ik toch mee bezig?’
Plotseling betrok het gezicht van de monnik. ‘Ik weet het weer, ik zoek verlossing.’
Daarop betrok het gezicht van het vrouwtje. ‘Ach ja, ik help verlossen.’
Kreunend stonden ze op en namen afscheid.
31.3
Een monnik vroeg de weg aan een oud vrouwtje.
Het vrouwtje zei: ‘Moet je ergens heen dan?’
‘Bedoelt u dat we er al zijn?’
‘Waar zijn?’
‘Hier zijn.’
‘En wat wou je daaraan doen?’
‘Dat hier zijn onze bestemming is, bedoel ik.’
‘Moet je ergens heen dan?’ vroeg het vrouwtje weer.
Hoofdschuddend liep de monnik verder.
Hoofdschuddend keek het vrouwtje hem na.
31.4
Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel.
Het vrouwtje zei: ‘Almaar rechtdoor.’
De monnik liep verder en het vrouwtje zei zachtjes: ‘Dan kom je er nooit.’
Toen de monnik de meester over het voorval vertelde, zei die handenwrijvend: ‘Ik zal haar eens aan de tand voelen.’
De volgende dag deed het verhaal de ronde en diezelfde avond riep de meester iedereen bij elkaar en vroeg: ‘Hoe schatten jullie haar in?’
De monniken begonnen te discussiëren over haar zengehalte, maar kwamen er niet uit. Brandend van nieuwsgierigheid vroeg de hoofdmonnik: ‘Wat zei ze tegen u?’
‘Denk je nou echt dat ik haar dezelfde vraag zou stellen?’ zei de meester.
‘Wat heeft u dan gevraagd?’
‘Denk je nou echt dat ik haar een vraag zou stellen?’
‘Wat heeft u dan met haar gedaan?’
‘Denk je nou echt dat ik bij haar langs zou gaan?’
‘Wat heeft u dan gedaan?’ vroeg de hoofdmonnik verbijsterd.
‘Jullie getest’, zei de meester.
31.5
Een monnik vroeg een oud vrouwtje de weg naar de tempel.
‘Almaar rechtdoor’, zei het vrouwtje.
De monnik liep verder en het vrouwtje zei zachtjes: ‘Dan kom je er nooit.’
Terug in het klooster vroeg de monnik aan de meester of hij het vrouwtje niet eens op haar zengehalte wilde testen.
‘Wat is het zengehalte van iemand die een vrouwtje op haar zengehalte wil testen?’ vroeg de meester.
‘Eigenlijk wilde ik u testen’, bekende de monnik.
‘Waarop?’
‘Ik was benieuwd of ik u zo gek kon krijgen iemand op zijn zengehalte te testen.’
‘Dat kon je,’ zei de meester.
‘Wie dan?’ vroeg de monnik verbaasd.
‘Jou natuurlijk.’
‘En, wat is mijn zengehalte?’
‘Oud wijf’, zei de meester.
31.6
Monnik: Wilt u alstublieft mijn zengehalte testen?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat de vraag om getest te worden wijst op een laag zengehalte?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat het onderscheid tussen hoog en laag een illusie is?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat het onderscheid tussen hoog en laag een illusie is in het absolute, maar werkelijkheid in het relatieve?
Meester: Gezakt.
Monnik: Bedoelt u dat ik op eigen benen moet staan?
Meester: Gezakt.
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: Gezakt.
Monnik: Wat kan ik doen om te slagen?
Meester: Gezakt.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Hm.
31.7
Een groepje monniken bezocht een oud eethuisje waarvan de uitbaatster, een oud vrouwtje, ontwaakt zou zijn.
Meteen bij aankomst riep een monnik: Welkom in nirwana.
De anderen brulden van het lachen.
Het vrouwtje trok haar wenkbrauwen op.
Bij het openen van de gammele deur riep een monnik: Met recht een poortloze poort.
De anderen brulden van het lachen.
Het vrouwtje liep naar de open haard.
Een monnik keek om zich heen in het sombere vertrek en riep: Prima verlichting hier.
De anderen brulden van het lachen.
Het vrouwtje pakte een pook.
Een monnik riep: Heeft u alleen staanplaatsen of kan men hier ook zitten?
De anderen brulden van het lachen.
Het vrouwtje pakte de asemmer.
Een monnik riep: Doe mij maar een portie dharma mét.
De anderen brulden van het lachen.
Het vrouwtje stapte op het groepje af.
Een monnik riep: Hoe maakt men zich uitgerekend in een eethuisje leeg?
Het oude vrouwtje ramde de pook in zijn buik en hield hem de emmer voor.
Brullend boog de monnik voorover.

