Koan 29 – Niet de vlag, niet de wind
Een tempelvlag wapperde in de wind en twee monniken begonnen erover te ruziën. De een zei dat de vlag bewoog, de ander dat de wind bewoog en ze kwamen er niet uit.
Meester Huineng zei: Niet de vlag beweegt en niet de wind maar je geest.
De monniken waren met stomheid geslagen.

29.1
Vier monniken maakten ruzie over een wapperende vlag.
De vlag beweegt, riep de eerste.
De wind beweegt, riep de tweede.
De geest beweegt, riep de derde.
De tong beweegt, riep de vierde.
Niet te lang bij stilstaan jongens, zei de meester.
29.2
Elf monniken maakten ruzie over een wapperende vlag.
De vlag is een illusie, riep de eerste.
De wind is een illusie, riep de tweede.
Beweging is een illusie, riep de derde.
Onbeweeglijkheid is een illusie, riep de vierde.
De geest is een illusie, riep de vijfde.
De tong is een illusie, riep de zesde.
Spreken is een illusie, riep de zevende.
Zwijgen is een illusie, riep de achtste.
Jij bent een illusie, riep de negende.
Illusie is een illusie, riep de tiende.
We moeten voorbij werkelijkheid en illusie gaan, riep de elfde.
Vlaggen voor de hoeren, zei de meester.
29.3
Acht monniken waren aan het discussiëren over stof en geest.
Alles is stof, riep de eerste.
Alles is geest, riep de tweede.
De geest ontspringt aan de stof, riep de derde.
De stof ontspringt aan de geest, riep de vierde.
Stof is geest, riep de vijfde.
Stof noch geest, riep de zesde.
Boeddha, riep de zevende.
Boeddha? vroeg de achtste.
Ik sliep, zei de Boeddha.
29.4
Monnik: Niet de vlag, niet de wind, maar het zelf beweegt.
Meester: En wat brengt het zelf in beweging?
Monnik: Het zelf is de grond van het universum.
Meester: En wat is de grond van het zelf?
Monnik: Het zelf heeft geen grond nodig.
Meester: Waarom het universum dan wel?
Monnik: Het zelf is zijn eigen grond.
Meester: Waarom het universum dan niet?
Monnik: Bedoelt u dat het zelf het universum is?
Meester: Eerst maar eens vaststellen of het zelf wel bestaat.
Monnik: Bedoelt u dat het zelf niet bestaat?
Meester: Vraag maar aan het zelf.
Leerling: Hoe dan?
Meester: Toe dan.
Monnik: Bedoelt u dat het universum zelfscheppend is?
Meester: Misschien is deze gedachte wel zelfscheppend.
Monnik: Waar komen al die vormen anders vandaan?
Meester: Moet er dan per se een schepper zijn?
Monnik: Bedoelt u dat het universum ongeschapen is?
Meester: Bedoel je dat er een universum is?
Monnik: Bedoelt u dat het universum leeg is?
Meester: Bedoel je dat er leegte is?
Monnik: Wat bedoelt u dan?
Meester: Denk jij dat ik iets bedoel?
Monnik: Waarom anders al die vragen?
Meester: Omdat jij al antwoord gaf.
29.5
Monnik: Wat is de eerste oorzaak?
Meester: God, daar vraag je me wat.
Monnik: En hoe luidt het antwoord?
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Wat?
Meester: God, daar vraag je me wat.
29.6
Monnik: Alles heeft een oorzaak.
Meester: Alles krijgt een oorzaak.
Monnik: Van wie?
Meester: Van wie niet.
29.7
Zou de vlag wapperen als niemand hem had uitgehangen? Zou hij wapperen als niemand hem had gemaakt? Als niemand hem had bedacht? Als niemand kon zien, horen of voelen?
Zou de vlag wapperen als de katoenplant niet bestond? Als niemand katoen verbouwde? Als niemand garen spon? Als niemand doeken weefde?
Zou de vlag wapperen als niemand weefmachines maakte? Als niemand staal fabriceerde? Als niemand vlaggenstokken maakte? Als niemand de vlag uithing?
Zou de vlag wapperen als er geen lucht was om hem in beweging te brengen? Als er geen zon was om de lucht in beweging te brengen? Als er geen waterstof was om te fuseren?
29.8
De tempelvlag wapperde in de wind. Twee monniken begonnen erover te ruziën. De ene monnik zei dat de vlag afhankelijk van al het andere bestaat, de andere zei dat de vlag een illusie is. Ze kwamen er niet uit en vroegen het de meester.
‘Denkt u dat de vlag afhankelijk bestaat?’
‘Niet als hij illusoir is’, zei de meester.
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij dan niet bestaat natuurlijk.’
‘Denkt u dan dat de vlag een illusie is?’
‘Niet als hij afhankelijk bestaat.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij dan bestaat natuurlijk.’
‘Maar bestaat alles nou afhankelijk of is alles een illusie?’
‘Als alles afhankelijk bestaat, dan ook het afhankelijk bestaan.’
‘Dus?’
‘Bestaat het dan wel?’
‘En als alles een illusie is?’
‘Dan ook de illusie.’
‘Dus?’
‘Bestaat hij dan soms niet?’
‘Nou weet ik het helemaal niet meer’, zei de ene monnik.
‘Wat maakt het uit’, zei de meester.
‘Hoezo?’
‘Misschien is dit gesprek ook maar een droom.’
‘Zullen we het ooit weten?’ vroeg de andere monnik.
‘Zodra we wakker worden’, antwoordde de meester. ‘Tenzij dat ook maar een droom is.’
De monniken waren met stomheid geslagen.
De tempelvlag wapperde in de wind.

