Koan 28 – Een kaars uitblazen om het licht te zien
Tot diep in de nacht spraken meester Longtan en monnik Deshan over zen. Ten slotte zei de meester: Zullen we er een punt achter zetten?
De monnik maakte een buiging, keek door de blinden naar buiten en zei verrast: Het is pikkedonker.
Longtan stak een kaars voor hem aan zodat hij de weg terug kon vinden. Juist toen Deshan de kaars van hem over wilde nemen, blies de meester hem uit.
Op dat moment zag de monnik het licht.
Longtan merkte dat er iets veranderd was en riep: Zeg het.
Nooit zal ik meer twijfelen aan de woorden van de grootste zenmeester onder de zon, riep Deshan opgetogen.
De volgende dag besteeg Longtan het podium en zei: Een van u heeft slagtanden als zwaarden en een bek vol bloed. Op een dag zal hij de hoogste piek bestijgen en de weg voor ons ontsluiten.
Deshan trad naar voren met een stapel van zijn commentaren op de Diamantsoetra, wees ernaar met een fakkel en verklaarde: De meest omvattende doctrines zijn nog geen haartje in het heelal. De grootste geheimen van de leer zijn nog geen druppel op een gloeiende plaat.
Daarop verbrandde hij zijn aantekeningen, boog voor de meester en vertrok.

28.1
Het was al laat en een van de monniken zat nog steeds over zijn boeken gebogen. De meester zei: ‘Zie je het al?’
‘Nog steeds niet.’
De meester deed het licht uit en vroeg: ‘Zo beter?’
‘Wel heb ik ooit’, zei de monnik.
‘Wat?’
‘Kan u het licht nogmaals uitdoen?’
De meester haalde de schakelaar over waardoor het licht weer aan ging.
Hij vroeg: ‘Wat heb je nu bereikt?’
‘Niets’, zei de monnik perplex.
‘Zeker weten?’
‘Zelfs niet niets.’
‘Heb je het niet-bereiken bereikt?’
‘Zelfs het niet-bereiken niet.’
‘Wat zou jij zeggen?’ vroeg de meester.
‘Nooit zal ik meer geloven in de woorden van de leraar.’
‘Geloof je dat?’
‘Nooit zal ik meer geloven in de woorden van de leerling.’
‘Geloof je dat?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Geloof je dat je het niet gelooft?’
‘Natuurlijk niet.’
‘En je boeken?’ vroeg de meester.
‘Ik zou ze verbranden als ik dacht dat het wat uithaalde.’
‘Dan weet ik het ook niet meer’, lachte de meester.
‘Dan weet ik het ook niet meer’, lachte de monnik.
‘Waak zacht.’
‘Waak zacht.’
28.2
Monnik: Wanneer zal ik eindelijk verlicht zijn?
Meester: Als alles je eindelijk duister is.
Monnik: Wanneer zal alles me eindelijk duister zijn?
Meester: Als je dat ook niet meer weet vast te stellen.
Monnik: Wat heb ik er dan nog aan?
Meester: Zelfs dat zal je niet meer weten.
Monnik: Zal ik dan nog steeds met mijn mond vol tanden staan?
Meester: Je zal de vraag niet meer stellen.
Monnik: Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen.
Meester: Pardon?
Monnik: In nirwana’s naam.
Meester: Maakt niet uit.
Monnik: Is dat dan verlichting?
Meester: Wat?
Monnik: Dat het allemaal niet meer uitmaakt?
Meester: Wat maakt het uit.
Monnik: Wanneer zal ik eindelijk verlicht zijn?
28.3
Monnik: Waarom geeft de verlichte geen licht?
Meester: Omdat hij verduisterd is.
Monnik: Waarom geeft de verduisterde geen duisternis?
Meester: Omdat er geen vraag naar is.
28.4
Monnik: Wat is verlichting?
Meester: De illusie doorzien.
Monnik: Wat is verduistering?
Meester: Je verlichting doorzien.
Monnik: Bent u nou verlicht of verduisterd?
Meester: Ik ben niet achterlijk.
28.5
Monnik: Zelfs de meest omvattende doctrines zijn als een haartje in het heelal.
Meester: Het heelal ook.
Monnik: Wat?
Meester: Zelfs een haartje in het heelal is als het heelal.
Monnik: Hè?
Meester: Zelfs een haartje van de minst omvattende doctrines is als het heelal.
Monnik: Ik bedoel, wie snapt er nou het heelal.
Meester: Ik bedoel, wie snapt er nou een haartje.
28.6
Monnik: Alle grote geheimen van de leer zijn maar een druppel in de oceaan.
Meester: Wie zegt dat de leer geheimen bevat?
Monnik: Niet dan?
Meester: Niet als hij leeg is.
Monnik: Is de leer leeg?
Meester: Wel als alles leeg is.
Monnik: Is alles leeg?
Meester: Wel volgens de leer.
Monnik: Die was toch leeg?
Meester: Dat zeg ik.
Monnik: Ja, is de leer nou leeg of niet?
Meester: Misschien is dat wel het grote geheim.
Monnik: Het grote geheim is of de leer wel geheimen bevat?
Meester: Als je wist wat het grote geheim was, was het geen groot geheim meer.
Monnik: Ik snap er niets meer van.
Meester: De oceaan is maar een druppel in de grote geheimen van de leer.
28.7
Monnik: Commentaren op de Diamantsoetra zijn een druppel op een gloeiende plaat.
Meester: De Diamantsoetra ook.
Monnik: De Diamantsoetra is een druppel op een gloeiende plaat.
Meester: De Dharma ook.
Monnik: De Dharma is een druppel op een gloeiende plaat.
Meester: De Boeddha ook.
Monnik: De Boeddha is een druppel op een gloeiende plaat.
Meester: Jij ook.
Monnik: Ik ben een druppel op een gloeiende plaat.
Meester: Ik niet.
Monnik: Wat bent u?
Meester: Een gloeiende plaat.
Monnik: O?
Meester: Hoor maar.
Monnik: Wat dan?
Meester: Sst.
28.8
De een probeert voordeel te behalen door geschriften te bestuderen, de ander door ze te verbranden; wat hebben ze gemeen?
De een probeert voordeel te behalen door bezit te vergaren, de ander door het af te staan; wat hebben ze gemeen?
De een probeert voordeel te behalen door het juiste te verlangen, de ander door verlangens te overwinnen; wat hebben ze gemeen?
De een probeert voordeel te behalen door zich in de wereld te begeven, de ander door zich af te zonderen; wat hebben ze gemeen?
De een probeert voordeel te behalen door met misdadigers om te gaan, de ander door met heiligen om te gaan; wat hebben ze gemeen?
28.9
Monnik: Vanaf nu zal ik nooit meer aan uw woorden twijfelen.
Meester: Dwaas.
Monnik: Nou zeg.
Meester: Je zou toch nooit meer aan mijn woorden twijfelen?
Monnik: Dat is waar ook.
Meester: Vanaf nu moet je altijd aan mijn woorden twijfelen.
Monnik: Zeker weten.
Meester: Dwaas.
28.10
Monnik: Volgens zen zijn er vijf soorten blindheid. De gewone blindheid van de onwetende die de boeddhistische leer nog niet kent, de opzettelijke blindheid van de ketter die de leer niet wil kennen, de onopzettelijke blindheid van de leerling die de leer niet begrijpt, de verlichte blindheid van degene die alleen leegte ziet en de ware blindheid van degene die geen verlichting meer ziet.
Meester: Ik zie het allemaal niet.
28.11
Monnik: Volgens zen zijn er vijf soorten blindheid. Onder aan de ladder vinden we de blindheid van de onnozelaar, daarboven de blindheid van de betweter, daar weer boven de blindheid van de zoeker, daarboven de blindheid van degene die geen vormen meer ziet, en helemaal boven aan de ladder de blindheid van degene die geen leegte meer ziet. Die laatste heet transcendentie, verlichting, bevrijding, zelfrealisatie.
Meester: En welke van deze vijf soorten blindheid is het die vijf soorten blindheid onderscheidt?
Monnik: Hè? O… uh… de… vijfde soort blindheid?
Meester: De wens is de vader van de gedachte.
Monnik: De vierde dan?
Meester: Optimist.
Monnik: De derde?
Meester: Lauw.
Monnik: De tweede?
Meester: Warm.
Monnik: Dan weet ik het ook niet meer.
Meester: Nou, ik ook niet.
Monnik: Hoeveel soorten blindheid zijn er volgens u?
Meester: Eentje maar.
Monnik: Wat is de enige vorm van blindheid volgens u?
Meester: Denken dat je het ziet.
Monnik: Ik denk niet dat ik het zie.
Meester: Dat is de tweede.
Monnik: Ik dacht dat er maar één vorm van blindheid was?
Meester: En dat is drie.
Monnik: Hoeveel soorten blindheid zijn er wel niet?
Meester: Wel niet.
Monnik: Wat is dat nou weer voor antwoord.
Meester: Evenveel als er gedachten zijn?
Monnik: Dan is dit zeker de vierde.
Meester: En de vijfde is denken dat het de vierde is.
Monnik: Komt hier ooit een eind aan?
Meester: Dat heb je goed gezien.

