‘Hebben we volgens jou een vrije wil, Hans?’
‘Ik betwijfel of de wil vrij is.’
‘Bedoel je dat de wil onvrij is?’
‘Ook dat betwijfel ik.’
‘Het enige waar je niet aan twijfelt is de wil zelf.’
‘Ik betwijfel of we een wil hebben.’
‘Denk je dan dat we geen wil hebben?’
‘Ook dat betwijfel ik.’
‘Wou jij beweren dat ik…’
‘Ik betwijfel of er een ik is.’
‘Bedoel je dat ik niet besta?’
‘Ook dat betwijfel ik.’
‘We leven toch in een wereld waarin…’
‘Ik betwijfel of er een wereld is.’
‘Bedoel je dat alles een illusie is?’
‘Ook dat betwijfel ik.’
‘Bedoel je dat er een hogere realiteit is?’
‘Ook dat betwijfel ik.’
‘Jij twijfelt overal aan.’
‘Zeker weten.’
‘Nu weet ik nog niets.’
‘Zeker weten?’
‘In elk geval twijfel ik nu aan de vrije wil.’
‘Ik niet.’
‘Hè?’
‘Wat?’
‘Bedoel je dat we toch een vrije wil hebben?’
‘Ik bedoel dat ik niet meer twijfel.’
‘Bedoel je dat de vrije wil niet bestaat?’
‘Nee, ik bedoel alleen dat ik niet meer twijfel.’
‘Als je niet meer twijfelt dan weet je toch hoe het zit?’
‘Of het interesseert je niet meer.’
‘Op die manier.’
‘Of je gelooft niet meer in de vraag.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of in de begrippen waarop de vraag is gebaseerd.’
‘Aha.’
‘Of in de aannames die aan de vraag ten grondslag liggen.’
‘God ja.’
‘Of in de mogelijkheid van een eenduidig antwoord.’
‘Tja.’
‘Of in het nut daarvan.’
‘Hm.’
‘Of zelfs maar in niet-geloven.’
‘Jij twijfelt nergens meer aan.’
‘Zeker weten.’
‘Nu weet ik het helemaal niet meer.’
‘Ik betwijfel dat.’

