Introductie
Zoals regelmatige lezertjes bekend zal zijn reis ik regelmatig voor Dharma-werk in India en Sri Lanka. Nu dat binnenkort door mijn levensfase beduidend vaker en langer zal zijn ben ik gaan nadenken over de ervaringen met neo-boeddhisme (Navayana) in Sri Lanka en met name India. In dit tweeluik bespreek ik eerst adviezen, van o.a. Navayana-pionier Ambedkar, voor de ‘fulltime’ boeddhisten – dus mensen die veel tijd in Dharmawerk kunnen steken waaronder een deel der lerare(sse)n. In deel 2 juist de adviezen voor de ‘parttime’ boeddhisten. Hoewel er verschillen zijn tussen de cultuur in Zuid-Azië en in onze West-Europese setting zijn veel van die adviezen ook hier leerzaam.
Kritiek op de klassieke pijdragers
Toen medio jaren ’50 boeddhisme in India een boost kreeg door Ambedkar’s massabekering werd al direct duidelijk dat importeren van lerare(sse)n uit boeddhistisch-Aziatische landen niet de belangrijkste peiler voor stabiele groei kon zijn. De casus dat een paar net uitgenodigde Srilankaanse monniken als allereerste prioriteit les gaven in de correcte neerbuigingen, verplichte lage zitplaatsen en voedsel-offerandes van leken naar hen toe sprak boekdelen; de nieuwe volgelingen voelden zich van de regen in de drup beland, want ze ontvluchtten het brahmaanse hindoeïsme mede vanwege de plichten tot neerbuigingen voor de übermensch-brahmaanse priesters!
In zowel Ambedkars publicaties voor zijn te vroege dood, denk aan “The Buddha and the future of his religion” (1950) en Boek 5 van “The Buddha and his Dharma” (1956), als in artikelen uit die tijd van mijn leraar Sangharakshita zie je pittige kritiek op de institutionele ‘sangha’. Ambedkar beschuldigde hen van luiheid en gebrek aan compassie: “too many Sadhus and Sanyasis spending their time in meditation or idleness. There is in them neither learning nor service”. En Sangharakshita schrijft in zijn tweeluik ‘Wanted: a new type of bikkhu/upasaka’ als aforisme “The new type of Bhikkhu will never commit the mistake of thinking that the wearing of the yellow robe makes him a monk”. Beiden zeggen in feite dat het de activiteit en levenshouding, meer nog dan de gekozen levensstijl, is die bepaalt wie een échte monnik/non is. Omdat volgens meer moderne inzichten de hele dimensie van wel-of-geen-celibaat secundair is werk ik in de rest van deze praatjes met de termen fulltimer en parttimer. In dat raamwerk past ook de later ontwikkelde terminologie zoals lid zijn van een boeddhistische Orde, denk aan ‘mijn’ Triratna Orde of de Orde van Interzijn – dat zijn veelal fulltimers.
Wat is een fulltime Dharmabeoefenaar?
Okay, mijn eigen voorlopige definitie: een fulltimer is iemand die een groot deel van zijn/haar energie in Dharmaduta – werken voor en overdragen van de Dharma – kan steken. In een klassieke samenleving zoals vaak in Azië is dit synoniem met een ongetrouwd (meestal celibatair) en familie-loos leven. In een moderne verwesterste samenleving met opties voor veel minder tijdsbeslag in de carrière kan dat kan prima een V/M met volwassen of geen kinderen zijn. Zhij blijft desgewenst gewoon in een relatie/huwelijk maar is vaak de hort op en heeft geen prioriteit voor de maatschappelijke carrière. Dus iets van een combi van de oude Hindu levensfasen Vanaprastha en Sannyasa. Een zowel door Ambedkar als de jonge Sangharakshita aangehaald voorbeeld zijn de vrijwilligers van de hindoeïstische (maar anti-kastenstelsel) Ramakrishna mission. En net als bij dat voorbeeld is ‘fulltimer’ niet hetzelfde als leraar/es. Sommige parttimers zijn, uitstekende, leraren; en sommige fulltimers dienen hun medemens bijvoorbeeld als retraitecentrum-staflid en houden zich verre van lesgeven.
Wat doet een fulltimer?
Het doel van fulltimer is o.a. om Boeddha’s leer te verspreiden. En dat gaat o.a. door mensen te dienen (niet door op basis van je kleding en titel respect en status op te eisen, laat staan semi-brahmanistische rituelen zoals buigingen en verplichte lage stoelen). Net zoals Ambedkar zal de fulltimer dus de nadruk leggen op de Maha-sangha (leken én pijdragers) als het Derde Juweel, geen specifieke hogere positie voor de pijdragers.
En meer nog dan het woord gaat het om het gedrag, dus het voor-leven. Het in mijn recente Gandhi-praatje genoemde voorbeeld, dat hij weigerde een suikervrij dieetadvies te geven alvorens hij het zelf ook uithield, is een maatstaf voor fulltimers; ‘doe wat je zegt en zeg wat je doet’. Dus precies het tegengestelde van de jaren ’70 tekst van Tol Hansse over een zekere missionaire hindoe-groep:
“Hare Krishna’s op de dam
Douwen in je hand een brieffie
Hoe je happy leven kan
Zo te zien en volgens mij
Zijn ze zelf niet zo blij”
Een paar bouwstenen in de levensstijl van een fulltimer kunnen zijn:
- Zoveel mogelijk bezitloos. Beslist meer dan de 7 attributen die een klassieke pijdrager mag bezitten, en die als lijst ook in Theravada- en Tibetaanse scholen al lang verouderd is. Maar zeker geen bezittingen waar status of trots aan ontleend kan worden, zoals een eigen luxe auto of de nieuwste smartphone en notebook. En ja, als de fulltimer ook nog een levensonderhoud-baantje heeft en in een relatie/huwelijk zit is het belangrijk om elkaar veel vrijheid te gunnen; gelijkgestemdheid in je hele netwerk van maatschappelijke rollen is beslist een steun.
- Daarom ook zoveel mogelijk wonen in woongemeenschaps/ashram-verband; je ziet dat boeddhisten best wat kunnen leren van andere tradities, hoewel Gandhi’s ashram-concept zoals ik in een ander praatje noemde weer mede Westerse wortels heeft.
- Besluiten met mede-fulltimers zoveel mogelijk in consensus. Kalyana Mitrata oftewel spirituele vriendschap helpt daarbij; Ambedkar gebruikte die term overigens niet expliciet.
- De bezitsloosheid mag niet doorschieten naar de extremen van ascese en zelfkwelling.
- Er is geen in steen gebeitelde rol voor de fulltimers naar de parttimers toe, zeker geen vaste rituelen die per se voor fulltimers zijn. Ambedkar was in zijn hoofdstuk V.3 “Bikkhu and the Brahmin” daar heel duidelijk in.
- Toch zie ik, in het Westen maar nog meer in Zuid-Azië, wel een fors deel van de fulltimer-tijd geclaimd worden voor rituelen; parttimers en hun familie zien dit geregeld als een recht, een vorm van tegenprestatie voor hun dana aan de fulltimers. Dat lijkt me de ‘schuld’ van zowel de fulltimers als de parttimers die al deze rituelen willen.
Ceremoniën assisteren voor basis-mijlpalen zoals trouwen en dood is prima. Maar zegeningen geven voor allerlei extra’s zoals verloving, ziekte afweren, 7-dagen-na-overlijden ritueel, 49-dagen ritueel etc etc is veelal overkill. De rituelen zelf is niets mis mee; indien onder vrijwillige-deelname (en niet groepsdwang) zijn het prima uitingen van gemeenschappelijke Metta/devotie van familie/vrienden. Maar het proberen deze rituelen als ‘’spiritueel” te labelen door een fulltimer erbij in te huren is wél ongewenste verkeerde inzet van energie. - Bovendien versterkt het er steeds bijslepen van een fulltimer het risico dat deze zichzelf een ‘onmisbare en hogere rol’ toe-eigent. Geheel tegen het doel van Boeddha in: grotendeels dezelfde ethische leefregels gelden voor parttimers als voor fulltimers, ze verschillen vooral in de beschikbare tijd en energie.
Tussenconclusie
Je ziet het; inhoudelijk verschillen de parttimer en fulltimer een stuk minder dan de Aziatische traditie ermee omgaat. En in Navayana (neo-boeddhistische) scholen in o.a. Japan en India werkt men ook nadrukkelijk aan het kleiner maken van die kloof. Natuurlijk bepaalt de sociale en economische struktuur van een gebied mede wat er haalbaar is; op het Indiase platteland bijvoorbeeld hebben vaders zolang er nog kinderen in huis zijn veelal een werkweek van meer dan 60 uur, dus geen energie om naar fulltimerstatus te streven.
Wat ook een rol speelt bij de hele invulling is de groep-versus-individu dimensie van veel Aziatische culturen; die bespreek ik in het parttimer-praatje maar de invloed geldt ook voor (would-be) fulltimers. Leg de lat op lange termijn zo hoog mogelijk, maar wees pragmatisch voor de kortere termijn. Eerst goed leren lopen, dan pas aan de hardloopschoenen beginnen – anders werk je toe naar een ‘spirituele burn-out’. Veel wijsheid gewenst in het zoeken naar wat je eigen rol binnen boeddhistische organisaties mag/kan zijn!


Geef een reactie