Deel 4 van een 8-delig dwaalgesprek over verlichting, geluk, levenskunst, lijden en niet-weten.
Noor: Hoe onverstoorbaar ben jij?
Hans: Probeer mijn ogen maar eens uit te steken, dan krijg je een gratis demonstratie van mijn onverstoorbaarheid.
Noor: Wat gebeurt er dan?
Hans: Dat weet ik pas als het gebeurt.
Noor: Raad eens.
Hans: Ik zal mezelf verdedigen of meteen de aanval kiezen, uitwijken, terugslaan of een combinatie daarvan. Ik zal boos worden of bang, gillen of lachen van schrik of van opwinding. Misschien reageer ik helemaal niet, of niet zichtbaar, ik heb geen idee.
Noor: Zou jij in een neerstortend vliegtuig…
Hans: Zet me in een neerstortend vliegtuig, in een stadion vol opgefokte hooligans of op een plein vol hysterische bedevaartgangers en er zal adrenaline door mijn aderen vloeien. Bij een ongetraind iemand als ik veroorzaakt een overdosis opfokstof een ondoordachte reactie waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. Daarna trek ik wit weg en begin ik te bibberen, en dan duurt het nog een hele tijd voor ik bijgekomen ben. In de uren en jaren erna zal ik me nog vaak afvragen wat er nu precies gebeurde en wat ik anders had kunnen doen.
Noor: Ja, dat herken ik wel.
Hans: En echt niet alleen bij rampen of de dreiging daarvan. Mijn kalmte is een pose, jong geleerd, oud gedaan. Door rust uit te stralen probeer ik mensen rustig te houden, en op die manier mezelf.
Noor: Je bent niet zo kalm als je lijkt.
Hans: Soms wel, soms niet. Er hoeft maar een baby te janken, een mens te schreeuwen, een hond te blaffen, een uitlaat te knallen of ik schiet subiet in een staat van paraatheid. Dan gaat al mijn aandacht daarheen tot het janken, schreeuwen, blaffen, knallen voorbij is – en nog een poosje daarna, tot alle opwindstofjes en bijgedachten zijn afgebroken.
Het zit hem trouwens niet in de decibellen; ook zachte geluiden kunnen met me aan de haal gaan. Malende kaken, klikkende kunstgebitten, subliminale bassen bij de buren – gek word ik ervan.
Noor: Geen toonbeeld van onverstoorbaarheid, dus.
Hans: Je kunt zonder overdrijving zeggen dat ik totaal verstoorbaar ben. Zo ben ik geboren, zo zal ik wel sterven. Of meneer Alzheimer en consorten moeten nog wat draadjes komen doorknippen, zoals bij mijn ouders. Die zaten middenin de gekte van een gesloten afdeling dementie onaangedaan voor zich uit te staren. Terwijl mijn vader vroeger net zo’n zenuwenlijder was als ik.

