Deel 1 van een 8-delig dwaalgesprek over verlichting, geluk, levenskunst, lijden en niet-weten.
Noor: Veel spirituele leraren en schrijvers beloven gouden bergen. Verlichting, realisatie, ontwaken, een einde aan het lijden, het hoogste geluk, onvoorwaardelijke liefde, universeel mededogen, de wijsheid voorbij alle wijsheid. Jij belooft niets, en daar ben je heel consequent in.
Hans: Gouden bergen, zeg dat wel. Eenheid, eenvoud, harmonie, onverstoorbaarheid, zorgeloosheid, onbevreesdheid, innerlijke vrede, volmaaktheid, spontaniteit, authenticiteit, waarheid, onsterfelijkheid – het kan niet op.
Noor: Wat is daarop tegen?
Hans: Niets. Ik gun iedereen zijn gouden berg. Ik gun iedereen zijn zoektocht naar een gouden berg. En ik gun iedereen die een afkeer heeft van gouden bergen zijn kruistocht.
Noor: Maar?
Hans: Geen vulkaan zonder krater, geen roes zonder kater.
Noor: Wat voor kater?
Hans: Als je op de top van de gouden berg meent te staan, heb je veel te verliezen. Is het wel goud wat er blinkt? Misschien is je berg alleen verguld, een goedkoop decorstuk in het theater van je geest – klatergoud in plaats van edelmetaal. Misschien is je berg niet meer dan een luchtkasteel, een stapelwolk met een gouden randje zonder enige substantie.
Heb je het licht gezien of ben je tegen de lamp gelopen? Bestaat verlichting wel of heb je jezelf wat wijsgemaakt of wijs laten maken?
Of bestaat er inderdaad zoiets als verlichting maar blijft het leven je evengoed voor problemen stellen? Helpt verlichting tegen aambeien, borreliose, trauma’s, eenzaamheid, paniekaanvallen, muggen, neerslachtigheid, ongelukken, onhandigheid, mondgeur, verlegenheid, misdaad, narcisme, rugpijn, relatieproblemen, hielspoor, wat denk jij?
Noor: Hm.
Hans: Ik ken mensen die wat zij voor verlichting houden een afknapper vinden. Ik ken mensen die hebben geconcludeerd dat dit het niet kon zijn, dat ze er toch nog niet helemaal waren, een stap te gaan hadden, een heel andere kant op moesten. Ik ken mensen die terugkijken op hun verlichting als de volgende illusie, op hun ware gezicht als het volgende masker, op hun onvolprezen goeroe als de volgende oplichter.
Noor: En de zoeker?
Hans: Arme jij. Waarom ga je op pad? Omdat het leven je niet bevalt. Niet omdat het zeer doet, omdat je denkt dat het geen zeer hoeft te doen. Het kan beter, denk je, jij kunt beter. Leven is een kunst en jij gaat je die eigen maken. Het leven is maakbaar, jijzelf bent maakbaar, al heb je het nog niet gemaakt. Dus zoek je je heil in een of andere traditie die een uitweg belooft. Je zoekt een manier om boven jezelf uit te stijgen, van een rups een vlinder te worden, van een loser een winnaar.
Zo naar je leven kijken maakt je hebberig, alles inzetten op één traditie maakt je onzeker. Heb je je wel bij de juiste club aangesloten? Weet je leraar wel waar hij het over heeft? Ben je wel zuiver in de leer? Doe je je oefeningen wel goed? Zullen je inspanningen ooit beloond worden? Wat als er helemaal geen gouden bergen zijn? Want dat weet je allemaal niet, je kunt het niet weten, je vaart blind op andermans kompas. Terwijl er net zoveel kompassen zijn als mensen, die allemaal hun eigen kant op wijzen. Waar ga je heen als je alle kanten op kunt?
Noor: En de scepticus?
Hans: Die is er niet veel beter aan toe. Als je gelooft dat gouden bergen luchtspiegelingen zijn, moet je dat steeds voor jezelf bewijzen. De gedachte dat je in dit korte en misschien wel enige leventje het mooiste misloopt wat het bestaan te bieden heeft, is nauwelijks te verdragen. Dus ga je verhalen verzamelen over malafide meesters, kan niet missen, speur je spirituele teksten na op tegenstrijdigheden, altijd prijs, en word je lid van de Vereniging tegen Spirituele Kwakzalverij in de hoop je wankele scepsis te bolsteren met een al even ongefundeerd geloof in andermans ongeloof – een kansloze missie. En ben je nog steeds in de ban van de heilige graal, ditmaal als tegenstander, klokkenluider, ontmaskeraar.
Noor: En jij? Heb je gevonden, ben je zoekende of voer je een kruistocht?
Hans: Geen van drieën.
Noor: Wat dan wel?


