koan 14 – Hoe Nanquan in één klap een kat halveerde en zijn karma verdubbelde
De monniken van de oostelijke zaal hadden ruzie met die van de westelijke om een kat. Meester Nanquan greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.
Niemand wist iets te zeggen, waarop de meester de kat doormidden sloeg.
Toen Zhaozhou die avond thuiskwam, vertelde meester Nanquan hem wat er gebeurd was.
Zhaozhou trok zijn sandalen uit, legde ze op zijn hoofd en liep weg.
De meester riep: Jij had de kat kunnen redden.

14.1
Twee monniken vochten om een kat.
De meester greep de kat in zijn nekvel en legde zijn hand op zijn gevest.
Hij keek de monniken om de beurt aan.
De ene monnik zei niets.
De andere monnik zei niets.
De ene monnik deed niets.
De andere monnik deed niets.
Met grote ogen keken ze naar de kat.
De meester trok zijn zwaard.
De meester hief zijn zwaard.
De kat zei gauw: Miauw?
14.2
Twee monniken maakten ruzie om een kat.
De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: ‘Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.’
De monniken zwegen.
De meester zweeg.
De spanning was te snijden.
Ten slotte begon de meester te knikken. ‘Stilte,’ zei hij, ‘waarom ook niet’, en liet de kat gaan.
14.3
Twee groepen monniken hadden ruzie om een kat.
De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.
Iemand vroeg of een kat de boeddhanatuur heeft, iemand vroeg of de verlichte één is met zijn zwaard, iemand vroeg of de verlichte één is met zijn kat, iemand haalde zijn nagels over de wang van de meester, iemand sneed zijn snorharen af met het scherp van het zwaard, iemand zette zijn tanden in het zwaard, iemand begon te spinnen als een tevreden kat, iemand begon te janken als een krolse kat, iemand luidde de bel voor het eten, iemand rekte zich eens lekker uit, iemand hield een bosje kattengras omhoog, iemand likte zijn schaaltjes uit, iemand aaide de meester, iemand besloop hem, iemand hing hem een slabbetje om, iemand blies in zijn oor en zo ging het maar door.
Wie is hier nu de meester, dacht de meester, en liet de kat gaan.
14.4
Twee groepen monniken hadden ruzie om een kat.
De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.
Niemand blafte, niemand vroeg of de verlichte onderhevig is aan de wet van oorzaak en gevolg, niemand sneed een vinger af, niemand knipte zijn baard af, niemand ging met zijn tanden aan een tak hangen, niemand hield een bloem omhoog, niemand waste zijn schaaltjes af, niemand haalde een kar uit elkaar, niemand ging onbeweeglijk zitten, niemand sloeg drie bekers patriarchenwijn achterover, niemand stak een vuist op, niemand praatte in zichzelf, niemand ging te vroeg met zijn kommetjes naar de eetzaal, niemand sprak het laatste woord van zen.
Origineel, dacht de meester, en liet de kat gaan.
14.5
Twee monniken maakten ruzie om een kat.
De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.
Plotseling dook de kok op achter de meester. Wat dacht u hiervan, riep hij, en sloeg met één hauw van zijn hakmes de hand van de meester af.
De hand viel met kat en al op de grond.
De meester schreeuwde: Aargh.
De kok zei: Dat kan ik niet goed rekenen.
De kat rook even aan de afgehakte hand en liep met opgeheven staart weg zonder de meester een blik waardig te keuren.
14.6
Twee monniken maakten ruzie om een kat of deden alsof.
Alle andere monniken trokken partij of deden alsof.
De meester greep het dier in zijn nekvel, trok zijn zwaard en riep: Spreek slechts één zenwoord en ik zal zijn leven sparen.
Niemand sprak een woord.
De hoofdmonnik wreef zich in zijn handen en zei: Ik ben benieuwd hoe hij zich hieruit gaat redden.
Op dat moment zag de meester het licht of deed alsof.
14.7
Twee monniken maakten weer eens ruzie om een paar sandalen.
De meester had er al zoveel doormidden geslagen dat zijn zwaard bot was geworden en hijzelf moedeloos.
Spreek slechts één zenwoord en we houden op met ruziën, riep een van de monniken brutaal.
De meester wist niets uit te brengen. Met slepende voeten keerde hij terug naar zijn verblijf. Toen hij die avond zijn beklag deed bij de voorraadmeester haalde deze zonder iets te zeggen een fles en een glas tevoorschijn.
De volgende dag had de meester een geweldige kater.
14.8
Opmerkelijke uitspraken van de eerste zenpatriarch, aangetroffen in het dagboek van keizer Liang Wudi uit het jaar 527.
Toen hij zag dat de paleispoes tot zijn buik in de sneeuw zakte, zei Bodhidharma: Waarom heeft een kat geen poten?
Toen hij een halve monnik zag mediteren, zei Bodhidharma: Waarom heeft een kat een zwaard?
Toen hij een glimlach zonder kat zag, zei Bodhidharma: Daarom heeft een hond geen boeddhanatuur.

