Van de meeste gebeurtenissen in de buitenwereld weet je niets. Je hebt er geen zintuigen voor, of je zintuigen zijn te beperkt.
Van het elektromagnetisch spectrum word je alleen het uiterst smalle gedeelte tussen infrarood en ultraviolet gewaar als licht, wat niet eens een fysische eigenschap is van elektromagnetische golven maar een psychisch fenomeen in de waarnemer. Er is geen licht, behalve in jou.
Infrarood licht voel je alleen als warmte op je huid; voor alle andere elektromagnetische golflengtes, van de zeer lange radiogolven via radar, microgolven, ultraviolet licht en röntgengolven tot de ultrakorte gammagolven, ben je ongevoelig en blind. Best gevaarlijk, vooral de kortste golven zijn levensbedreigend en je hoofd opwarmen in de magnetron is ook af te raden.
Je gezichtsveld is beperkt: je hebt geen ogen in je achterhoofd, niet in je slapen, niet bovenop je hoofd of elders in je lichaam en ook je huid is niet lichtgevoelig. Al kon je in alle richtingen tegelijk kijken, dan nog was je gezichtsveld beperkt, want je kunt niet in ondoorzichtige dingen kijken, niet erdoorheen, niet eromheen. Alleen als er een vrije, rechte zichtlijn is tussen je oog en een voorwerp kun je het zien.
De resolutie van je netvlies is gering, zelfs in het scherpste deel, de elliptische fovea centralis, die een diameter van slechts anderhalve millimeter heeft en slechts twee graden van je gezichtsveld bestrijkt (circa twee duimbreedtes of één woord van gemiddelde lengte op één armlengte afstand). Vlooien kun je daar net met het blote oog zien, microben, virussen, nanodeeltjes, moleculen, atomen niet. In de periferie van je gezichtsveld, dus buiten de fovea centralis, is de resolutie nog lager, daar zie je niet veel meer dan vage patronen en onduidelijke bewegingen.
Lichtprikkels onder je gezichtsdrempel zie je niet, lichtprikkels boven de pijndrempel zijn niet om aan te zien. De werkelijke lichtintensiteiten ontgaan je door de ingebouwde logaritmische demping. Hoe je het ziet is niet hoe het is.
Je ogen vangen zo weinig licht dat je ’s nachts beter in bed kunt blijven. Om in het donker te kunnen zien heb je verlichting nodig of een nachtkijker.
Je pupillen reageren automatisch op lichtsterkte, je kunt ze niet vrijwillig samentrekken om de scherptediepte te vergroten. Je lenzen kunnen automatisch scherpstellen op een object dat zich niet al te dicht bij je ogen bevindt, maar ze kunnen niet in- of uitzoomen zoals sommige foto- en filmcameralenzen. Om een object beter te kunnen bekijken moet je ernaartoe lopen, om overzicht te krijgen moet je ervandaan lopen – omslachtiger kan niet.
Doordat je twee ogen hebt kun je beoordelen hoe ver weg iets is, maar je ogen zitten zo dicht bij elkaar dat het stereoscopisch effect beperkt blijft tot voorwerpen in je onmiddellijke omgeving. Het verschil tussen de netvliesbeelden van een object op 1 meter afstand en op 2 meter afstand is groot, het verschil op 101 meter en 102 meter gering.

