Van jongst af aan is ons verstand geneigd tot verstrooidheid, vergeetachtigheid, wispelturigheid, eenzijdigheid, ambivalentie, drogredeneringen, confabulatie, egocentrisme, zelfbegoocheling, zelfvergetelheid en zelfoverschatting. Als je denkt dat ik overdrijf moet je jezelf maar eens een poosje in de gaten houden, schrik niet.
Nooit heb ik iemand ontmoet met een feilloos verstand, niet bij benadering. Het lijkt erop dat iedereen, hoe intelligent en hoogopgeleid ook, verstandelijk beperkt is. De slimsten onder ons zijn het gevaarlijkst, omdat hun wezenlijke domheid hen in staat stelt hun slimheid op grote schaal te misbruiken.
Het normale haperen van het normale verstand noem ik de dementie van alledag. Je mag het ook chronische dementie, essentiële dementie of universele dementie noemen, universele dwaasheid, eeuwige dwaasheid, dementia perennis of kortweg dysmentia, dysmentie, waarom niet, als je het maar kunt onthouden.
Als je eenmaal ziet hoe dement je van nature bent, hoe je de hele dag loopt te blunderen zonder het door te hebben, raak je het blinde vertrouwen in je blinde verstand vanzelf kwijt. Uiteindelijk zet je alles wat het voortbrengt al bij voorbaat tussen haakjes, dit ook. Niet-weten is oog hebben voor de dementie van alledag. Die, hoewel niet (altijd) dodelijk, evengoed grote impact heeft op het leven van alledag.
Het woord dementie komt uit het Latijn en bestaat uit de onderdelen de- (ont-) en mens (geest). Het Latijnse dementare betekent uit de geest verdrijven, gek maken, gek zijn. De-ment betekent dus zoiets als ont-geest, on-verstandig, on-aandachtig, on-gericht, niet-denkend, niet-present, absent-minded, af-wezig – vergeetachtig, verstrooid.
Ontgeest kan ik mezelf niet noemen, wel zou een neuroloog die mij niet kent van vroeger, mijn normale gedrag kunnen aanzien voor beginnende dementie. Ik vergeet veel, ben slecht gecoördineerd, kan maar één ding tegelijk, raak van alles kwijt en kan me moeilijk oriënteren.

