Eigennamen, soortnamen, plaatsnamen – ik kan ze bijna niet onthouden. Heel wat mensen heten bij mij dinges, hoe-heet-ie en hoe-heet-ze (het geslacht weet ik meestal nog), heel wat dingen heten ding en dingetje (het formaat weet ik meestal nog), heel wat planten weet-me-nietje en die-met-die-blauwe-bloemetjes (de kleur weet ik meestal nog), heel wat plaatsen die-kant-op of waar-we-altijd-op-vakantie-gingen.
Als ik toch de juiste namen in mijn geheugen heb weten te prenten zijn ze soms pas na tien seconden beschikbaar, na tien minuten, de volgende dag, als het te laat is en ik niet eens meer weet waarvoor ik het woord nodig had. Als ik namen een paar weken of maanden niet gebruik verdwijnen ze geruisloos uit mijn actieve woordenschat en later ook uit mijn passieve.
Eigennamen hebben de neiging van vorm te veranderen of over te gaan in verwante namen. Marlene wordt Jacklene wordt Kathlene, Elaine wordt Eline, Monika Mona, Johan Jan of Han, Joseph Joe, Josh of John, zonder dat ik het doorheb. Een nieuwe liefde loopt jarenlang het risico aangesproken te worden met de naam van een vorige, het is maar goed dat ik zo eenkennig ben.
Met zowel gesproken als geschreven taal heb ik woordvindproblemen: niet op woorden kunnen komen die ik op andere momenten wel tot mijn beschikking heb. In de loop van de dag, als de zon begint te zakken en mijn innerlijke licht langzaam uitgaat, trekken steeds meer woorden zich terug in de krochten van mijn geheugen en moet ik de gaten in mijn zinnen opvullen met bijna-synoniemen of lange omschrijvingen.
Wil ik iets zeggen, dan weet ik soms ineens niet meer wat. Of er valt me iets in dat ik ook nog wil zeggen, en dan weet ik meteen niet meer wat ik aan het zeggen was en ook niet meer wat ik nog meer wilde zeggen. Of ik heb iets zo vaak in gedachten voor-gezegd dat ik niet meer weet of ik het ook in het echt heb gezegd. Veel van mijn zinnen beginnen daarom met ‘Had ik al gezegd dat…’ en een groeiend aantal met ‘Had ik al gevraagd of ik al had gezegd dat…’
Loop ik naar een ander vertrek om iets te halen of te doen, dan weet ik bij aankomst steeds vaker niet meer wat mijn bedoeling was of zelfs maar dat ik een bedoeling had. In zo’n geval doe ik maar wat – een gordijn open trekken, een kastdeur sluiten, een handdoek opvouwen, een kussen recht leggen, een slokje water drinken, net wat er in me opkomt. Als ik geluk heb herinnert iets me er na terugkomst aan wat ik ook alweer ging doen en krijg ik een herkansing, die ik ook niet altijd weet te benutten.
Ik zet theewater op en vergeet in te schenken. Ik zet een was op en vergeet de afvoerslang in de wc-pot te hangen of de was op te hangen. Ik vergeet op welke dagen ik welke vuilnissoort mag aanbieden. Ik vergeet welke sleutel bij welk slot hoort. Ik vergeet met welke buurtbewoners ik een praatje heb gemaakt, hoe ze heten en welk verhaal bij wie hoort. Ik vergeet welke boeken ik al gelezen heb en welke schrijvers ik nooit meer wil lezen. Vooral e-boeken vind ik bij gebrek aan stoffelijke kenmerken moeilijk uit elkaar te houden.
Na een verhuizing duurt het jaren voordat ik blindelings de lichtknoppen kan vinden. Ben ik net wakker, moe of in gedachten verzonken, zoek ik de lichtknop op de plaats waar die één of twee huizen geleden zat. Er zijn lichtknoppen die ik nooit in mijn systeem krijg, waardoor ik altijd eerst de verkeerde lamp aandoe, die mij er dan voor de zoveelste keer aan herinnert dat ik de andere knop had moeten hebben.
Lezer, wat vergeet jij zoal?

