De eerste twee jaar dat ik zen beoefende merkte ik nauwelijks effect. Mijn motivatie dreef puur op de overtuiging dat ‘de theorie’ klopt: deconditionering vergt oefening en tijd. Inmiddels – zo’n drie jaar na m’n eerste les – ervaar ik steeds duidelijker dat het werkt. Meestal subtiel, maar wel onmiskenbaar. Net iets helderder ervaren. Voelen zonder me te laten meeslepen. Minder snel oordelen en meer mededogen. Vaker opmerken dat ik ‘ego-gestuurd’ denk, en daar dan afstand van kunnen nemen.
Die effecten zijn vooralsnog slechts op ‘instap-niveau’. Maar sinds een paar maanden is er toch ook één opmerkelijke sprong voorwaarts te melden. Ingegeven door een van de leefregels die de Boeddha ons naliet: mijd middelen die het bewustzijn beïnvloeden. De meeste mensen denken bij deze vijfde gelofte terecht aan drugs, tabak en alcohol. Daar stopte ik al jaren geleden mee, tot grote tevredenheid. Maar de stap die ik onlangs zette – kappen met cafeïne – schenkt mij eigenlijk nog meer voldoening.
Niet omdat ik daarmee de onthechte asceet kan uithangen. Nee, het is vooral omdat ik concreet ervaar dat cafeïne voor mij het cultiveren van een juiste geestestoestand bemoeilijkt. Gebruik ik het, dan maakt het rusteloos, en heb ik het al te lang niet gehad dan maakt dat duf, ongeconcentreerd en chagrijnig. Dat klinkt misschien wat heftig, maar dat is niet hoe ik het bedoel. Wat ik wil beschrijven is zelfs subtiel te noemen. In elk geval zo subtiel dat ik er decennia lang nooit echt bij stil stond; ik nam gewoon ‘nog een bak’.
Maar aan de andere kant is het toch ook weer niet zo subtiel dat het ontsnapt aan de zen-geest, die juist interesse heeft voor onrust en ongemak. Duf? Hoe ga ik daarmee om? Wil ik dit? Waarom gebruik ik koffie? Vergroot het mijn ‘scherpte’ werkelijk? En als koffie mijn scherpte inderdaad vergroot, waar haalt het die scherpte dan vandaan? En waar komt die dufheid vandaan? Behoeft mijn natuurlijke scherpte wel een boost? Ik besloot het uit te zoeken. Wetenschappelijk én ervarend.
Het fysiologische verhaal bleek tamelijk schokkend. In een notendop: cafeïne blokkeert de adenosinereceptoren waarmee hersenen ons energieverbruik monitoren. Die blokkering leidt tot een tijdelijke overschatting van energetische ‘bestedingsruimte’ en stimuleert daarmee activiteit. Ten koste van ons feitelijke energieniveau later op de dag.
Bij regelmatig cafeïnegebruik tracht het lichaam de balans te herstellen door extra receptoren aan te maken. Maar ’s morgens is de cafeïne van gisteren opgeruimd en zijn alle receptoren weer paraat, inclusief de extra aangemaakte. Daardoor onderschatten de hersenen nu de beschikbare energie, wat we ervaren als dufheid. (Vandaar dat de eerste kop koffie bij menigeen als lekkerste van de dag te boek staat).
Verder stimuleert cafeïne de dopamine-afgifte, wat het beloningssysteem triggert. Heel aangenaam, ware het niet dat ook hier aanpassing en afhankelijkheid optreedt, zodat we zonder koffie behalve duf ook nog eens slechtgehumeurd zijn.
Dit fysiologische verhaal sterkte mijn motivatie om aan den lijve te onderzoeken hoe het is om te stoppen; niet alleen met koffie, maar ook met thee en chocola. Het internet voorspelde een ontwenningsproces van 3 tot 4 weken, plus nog eens zo’n krappe maand voor de psychologische ontwenning. Ik mocht me voorbereiden op hoofdpijn (voor 85 tot 90 procent van de gebruikers), vermoeidheid, lusteloosheid, afnemende alertheid, stijve spieren, verminderde taakgerichtheid, verstoring van het slaappatroon, humeurigheid en ontregeling van de stoelgang. Een dieptepunt was te verwachten in week twee of drie.
Idealiter zou ik zo’n uitdaging aangaan door me volledig in zen onder te dompelen; bestudering van ‘het zelf ver buiten de comfortzone’. Maar zo’n lang verblijf op de Noorder Poort zag m’n rug niet zitten. Dus werd het een sportieve vakantie in de Zwitserse bergen. Vanuit wandelhotel ‘Val Sinestra’, met afleiding en gezelligheid van medewandelaars. Het wandelen werkte; zo lang ik maar liep kwam – ondanks lichte hoofdpijn – de gedachte aan koffie nauwelijks in me op. En de afleiding van de medewandelaars, die was er ook, maar niet op de manier die ik me had voorgesteld. Groepen zijn sowieso niet echt m’n ding, maar door m’n ontwennings-chagrijn maakte ik het gezelschap tot een ware kwelling. “Dat gepraat om het praten”, “Iedereen hier is babbelziek”, “Wat zijn ze luidruchtig”, “Die verhalen – allemaal narcisme?” enzovoort. Ik meed het gezelligheidsgedoe en ergerde me in stilte groen en geel.
Natuurlijk zag ik wel dat mijn negatieve perceptie van het gezelschap alles te maken had met m’n cafeïne-turkey, maar ondertussen was het wel wat ik ervoer, en terugkeren naar m’n adem hielp steeds maar tijdelijk. Op de achtergrond sluimerde het inzicht dat het ongemak van de ontwenning niets nieuws kan voortbrengen. Het vergroot slechts uit hoe m’n zelf omgaat met een sociale uitdaging die altijd al lastig was. Wat ik ervoer was een sterke overdrijving van hoe ik van oudsher op groepen reageer. In die zin was er, ook zonder sesshin, toch wel degelijk sprake van bestudering van het zelf. En, dat chagrijn, die negativiteit, is dat niet ook een uitvergroting, van hoe ik mij jarenlang enkele malen per dag een beetje voelde als ik weer eens snakte naar ‘een bakkie’?
Inmiddels weer een paar maanden verder geniet ik de hele dag gratis van de helderheid waarvoor ik voorheen geregeld een kop koffie nodig had. Ochtenddufheid bestrijd ik met een koude douche, die ook al economisch voordelig is. Verder meen ik dat m’n meditatie mogelijk weer een subtiel beetje aan kwaliteit heeft gewonnen, en denk ik (bij een kop Bambu) nog geregeld terug aan de bloemenweelde op de Zwitserse berghellingen.


Geef een reactie