Wat er kan gebeuren wanneer ook de jeugdbeschermer in overlevingsmodus raakt
Een vechtscheiding. De moeder slaapt slecht, is bang haar kinderen kwijt te raken en kan haar emoties nauwelijks reguleren. Ze schrijft lange mails, belt vaak, huilt tijdens gesprekken en reageert soms fel.
Voor haar staat er iets ingrijpends op het spel: het contact met haar kinderen.
Voor een jeugdbeschermer kan dat buitengewoon lastig zijn. Gesprekken lopen uit, besluiten worden telkens opnieuw ter discussie gesteld en iedere poging om rust te creëren lijkt nieuwe onrust op te roepen.
Dan kan de gedachte ontstaan:
Zo kan het niet langer. Zij moet zich anders gaan gedragen.
En daar begint een belangrijk professioneel vraagstuk.
Een jeugdbeschermer mag grenzen stellen. Hij kan bepalen hoe overleg plaatsvindt, afspraken maken en aangeven wat volgens hem noodzakelijk is voor de veiligheid van het kind. Maar hij behoort niet te bepalen wat een ouder moet voelen, denken of vinden.
Zijn belangrijkste professionele instrument blijft uiteindelijk zijn eigen gedrag.
In ons model van het Interne Gezin heeft de jeugdbeschermer zijn Strateeg hard nodig. Die analyseert, ordent, denkt vooruit en schat risico’s in. Maar onder langdurige druk kunnen diezelfde vermogens steeds meer in dienst komen te staan van de Overlever.
Tegenspraak voelt dan niet langer als informatie, maar als tegenwerking. Emotie wordt ervaren als verstoring. Onzekerheid wordt moeilijker te verdragen.
De vraag kan ongemerkt verschuiven van:
Wat heeft deze ouder nodig om haar verantwoordelijkheid te kunnen dragen?
naar:
Hoe krijg ik haar zover dat zij doet wat wij noodzakelijk vinden?
Daar wordt het riskant.
Een jeugdbeschermer beschikt immers over institutionele macht. Hij legt informatie vast in dossiers, overlegt met collega’s en gedragswetenschappers en kan zijn visie inbrengen in juridische procedures. Dat zijn belangrijke middelen om kinderen te beschermen.
Maar dezelfde middelen kunnen ook worden ingezet om weerstand te doorbreken.
Afspraken worden voorwaarden. Voorwaarden worden drukmiddelen. Een afwijkende zienswijze wordt uitgelegd als gebrek aan samenwerking. Het verzet dat daarop ontstaat bevestigt vervolgens het idee dat nóg meer regie nodig is.
Zo kan een zichzelf versterkende cirkel ontstaan:
onzekerheid leidt tot controle,
controle roept verzet op,
verzet leidt tot meer behoefte aan regie,
en meer regie roept opnieuw verzet op.
Aan beide kanten kan iets vergelijkbaars gebeuren. De ouder probeert vanuit angst meer grip te krijgen. De professional probeert vanuit oplopende spanning meer regie te krijgen. Beiden kunnen in overlevingsgedrag terechtkomen en het gedrag van de ander gaan zien als bewijs dat hun eigen reactie noodzakelijk is.
Maar er is een belangrijk verschil.
De jeugdbeschermer beschikt over professionele en institutionele macht.
Juist daarom rust op hem een bijzondere verantwoordelijkheid tot zelfreflectie.
Dat betekent niet dat hij alles moet accepteren. Schelden, dreigen of eindeloos bellen hoeven geen onderdeel te zijn van professioneel contact. Grenzen kunnen noodzakelijk zijn.
Maar er bestaat een wezenlijk verschil tussen begrenzen en beheersen.
Begrenzen zegt:
Zo kunnen wij met elkaar werken.
Beheersen zegt:
Jij moet je zo gedragen dat ik weer grip ervaar.
Daarom zijn andere vragen nodig:
Wat gebeurt er met mij wanneer deze ouder mij tegenspreekt? Waarom maakt haar gedrag mij boos of machteloos? Ben ik nog bezig met wat het kind nodig heeft, of probeer ik ook mijn eigen spanning te verminderen?
Professionaliteit betekent niet dat een jeugdbeschermer geen angst, irritatie of machteloosheid voelt. Het betekent dat hij die gevoelens herkent zonder ze automatisch om te zetten in meer controle.
Machtsmisbruik begint namelijk niet altijd met een verlangen naar macht.
Het kan ook beginnen wanneer iemand zijn eigen gevoel van machteloosheid niet meer verdraagt.
Wanneer ouder en hulpverlener daardoor volledig tegenover elkaar komen te staan, zou een onafhankelijke derde moeten kunnen meekijken. Niet alleen naar het gedrag van de ouder, maar ook naar de aannames en het handelen van de hulpverlening.
De belangrijkste professionele vraag is dan niet:
Hoe krijg ik deze ouder onder controle?
Maar:
Hoe blijf ik zelf professioneel wanneer ik moet begrenzen, maar de ander niet kan — en niet behoor te — beheersen?



Geef een reactie