Over intelligentie, bewustzijn en wie bepaalt wat wijsheid is
Kunstmatige intelligentie wordt steeds intelligenter. Ze kan redeneren, voorspellen en enorme hoeveelheden kennis combineren. Op veel van deze terreinen is ze ons al voorbij.
Maar betekent meer intelligentie ook meer wijsheid?
Dat is allerminst vanzelfsprekend.
Een AI kan straks misschien alles weten wat mensen ooit over wijsheid hebben geschreven. Ze kan de Boeddha, Spinoza, Lao Tse en moderne psychologen tegelijk raadplegen. Ze kan weten dat wraak vaak meer leed veroorzaakt, dat macht verblindt en dat mededogen soms verstandiger is dan vergelding.
Maar is dat wijsheid?
Wat wij wijsheid noemen, ligt bovendien minder vast dan we vaak denken. Wat een boer wijs noemt, kan iemand uit de stad ouderwets vinden. Wat in een boeddhistische traditie als wijs geldt, hoeft dat in een andere cultuur niet te zijn. Wijsheid ontstaat altijd ergens: in een levensvorm, een cultuur, een geschiedenis.
Dat betekent niet dat alles relatief is. In veel tradities keren vergelijkbare eigenschappen terug: niet te snel oordelen, oog hebben voor gevolgen, het eigen gelijk kunnen relativeren, rekening houden met anderen. Maar ook dan blijft de vraag welke eigenschappen het zwaarst wegen — en wie dat bepaalt.
Daar zit onvermijdelijk ook een politieke kant aan.
Voor je het weet wordt wijsheid iets wat hoger opgeleiden, bestuurders of deskundigen aan zichzelf toeschrijven. Zij beschikken over meer kennis en trekken daaruit soms de conclusie dat zij ook beter weten wat goed is voor anderen.
Maar deskundigheid is nog geen wijsheid.
Een verpleegkundige, boer of timmerman kan iets begrijpen wat in geen beleidsmodel voorkomt. Weten wanneer je níét moet ingrijpen kan soms wijzer zijn dan opnieuw bedenken hoe je moet ingrijpen.
Datzelfde probleem krijgen we bij AI.
Want als wij AI willen leren wat wijs handelen is, welke wijsheid leren we haar dan? Die van de mensen die de modellen bouwen? Die van de dominante cultuur? Die van politici, wetenschappers of bedrijven?
Misschien trainen we haar dan niet in wijsheid, maar in wat wij op dit moment voor wijsheid aanzien.
En dan is er nog een andere vraag.
Menselijke wijsheid lijkt vaak voort te komen uit ervaring: uit liefhebben, verliezen, fouten maken, afhankelijk zijn, ouder worden en ontdekken dat niet alles beheersbaar is. We worden wijzer doordat we grenzen tegenkomen. Doordat we merken dat onze kennis tekortschiet en dat andere mensen zich niet altijd voegen naar onze plannen.
Misschien is het daarom niet zozeer verlies dat wijsheid mogelijk maakt, maar kwetsbaarheid.
Een mens kan gekwetst worden, kan niet alles overzien, maakt onherroepelijke keuzes en weet dat zijn leven eindig is. Veel van wat wij wijsheid noemen, lijkt juist uit die begrensdheid voort te komen.
Maar is kwetsbaarheid werkelijk een voorwaarde voor wijsheid?
Of alleen voor menselijke wijsheid?
Daar moeten we voorzichtig zijn. Als we zeggen dat AI nooit wijs kan worden omdat zij niet liefheeft, lijdt of sterft zoals wij, maken we opnieuw de mens tot maatstaf van alle mogelijke wijsheid.
Of AI ooit werkelijk iets kan ervaren, weten we niet. We begrijpen nog onvoldoende wat bewustzijn is om daar definitieve grenzen aan te stellen.
Ook bij mensen ontstaat wijsheid bovendien niet altijd via redeneren. Soms weten we iets voordat we precies kunnen uitleggen waarom. Een inzicht kan zich aandienen, een samenhang kan ineens zichtbaar worden. We noemen dat intuïtie, ervaring of aanvoelen.
Wat daar precies gebeurt, begrijpen we evenmin volledig.
Misschien zal een toekomstige AI eveneens tot inzichten komen langs wegen die wij nauwelijks begrijpen. Misschien lijken die processen op de onze. Misschien helemaal niet.
Daarom is uiteindelijk niet alleen de vraag interessant of AI wijs kan worden.
De moeilijkere vraag is misschien:
zouden wij wijsheid herkennen wanneer zij niet meer op ónze wijsheid lijkt — en wie is dat ‘wij’ eigenlijk?


Geef een reactie