Denkers en doeners, zo heet een rubriek in deze krant. En dat is wel ongeveer de spagaat waarin ik mijn hele leven al zit. Doen, zei de ene kerk. Denken, zei de andere. Inzicht krijgen, zei het boeddhisme. Doen, zei het Daoïsme. Kijk, en daar word ik nou gek van.
Ik ben van huis uit een denker. Hoog opgeleid, dus theorie boven praktijk. Maar ik word daar al 65 jaar ongelukkig van. Want ik weet inmiddels vooral dat ik niets weet. Dat al mijn inzichten (ik schreef er talloze boeken over) de wereld en mezelf geen stap verder brengen. De wereld doet vooral, en trekt zich van mijn denken niets aan. Inzichten zijn geweldig, maar in de praktijk heb ik er niets aan, het leidt hooguit tot gepieker.
Dat moet menig boeddhist bekend voorkomen: de inzichten van Boeddha zijn fantastisch, maar HOE breng ik het naar de praktijk in deze weerbarstige westerse kortzichtige en egoïstische wereld? Het achtvoudige pad volg ik zo goed het gaat, maar ik voel me vooral falen.
Ik liep erin vast. Na jaren van geweldige en herkenbare boeddhistische inzichten, kwam ik geen stap verder. Zitten, mediteren, studeren en nog altijd het bange jongetje van vroeger. Mooie inzichten, geloven in een betere wereld maar hooguit meer gepieker over: hoe dan?
Ik ben er van lieverlee mee gestopt: ‘meer inzicht helpt me niet verder’, was mijn inzicht. Het helpt me hooguit verder achterop; ik werd wanhopiger eigenlijk.
Tot ik ging lezen over het Daoïsme… de Chinese tegenhanger van het boeddhisme. Het Daoïsme zegt simpel: de weg is ongrijpbaar, volg de natuurlijke orde van het universum (ziran) en leef in harmonie met de natuur vanuit een open geest (wuxin, niet-weten), go with the flow (wuwei) en zoek de balans in alles (yin-yang). Simpel. En wát een verademing!
Inmiddels zie ik mezelf meer als daoïst dan als boeddhist. Ik hóef van mezelf niet nog meer inzichten te ontwikkelen en vanuit die inzichten te ‘vechten’ voor een betere wereld. De oude Laozi (de roerganger van het Daoïsme) geeft me permissie om te gaan leven zoals het bij me past: om spiritueel op te gaan in de natuur en de grote vragen los te laten.
Later dacht ik: Thich Nhat Hanh heeft het boeddhisme eigenlijk ook heel mooi vertaald naar ‘zijn’. Namelijk door zijn nadruk op mindfulness, op volledig aanwezig zijn in je omgeving. Ik denk dat Thich heel goed wist waar hij mee bezig was: hij vertaalde denken naar ‘zijn’. Thich kon zich waarschijnlijk goed vinden in het Daoïsme, denk ik zomaar.
Ik blijf natuurlijk een denker. Zo werd ik geboren. Om mezelf bij de niet-denken-maar-doen-les te houden gebruik ik Qigong, muziek en de natuur. Ná alle boeddhistische theorie, is nu mijn lijf aan de beurt: bewegen, voelen en opgaan in mijn omgeving. Gewoon, leven, eigenlijk. Proberen niet langer de calvinistische boeddhist te zijn.


Geef een reactie