De eerste keer dat ik als vrijwilliger de gevangenis van Krimpen aan de IJssel binnenkwam tien jaar geleden, zal ik nooit vergeten. Mijn werk bestond eruit om van de stilteruimte een zendo te maken. Ik legde de matten en kussens neer, zette het bronzen boeddhabeeld en de bloemen en takken klaar, maakte thee en heette de mannen welkom bij binnenkomst en na afloop van de meditatie was er ruimte voor een gesprek voor wie dat wilde. De stilteruimte grensde aan de luchtplaats, een grote binnenplaats binnen de muren van de gevangenis. Eén kant van die stilteruimte bestond uit ramen. Een meter of vijf verwijderd van het raam stond een eenzame boom. Welk jaargetijde het ook was, de boom stond er altijd even miezerig als ontredderd bij. Op het grasveld na, was de boom het enige levende wezen op het hele terrein. Hij had het zichtbaar moeilijk, miste soortgenoten!
Regelmatig kwamen er gravende bezoekers onder de muren van het terrein door gekropen. Het was ontroerend hoe de mannen zichtbaar geraakt waren door die konijntjes. De diertjes waren een welkome afleiding, een teken van leven van een andere wereld met bomen, struiken, bloemen, dieren en mensen die je aan kon raken, een wereld waar je vrij was. Van de meer dan drie jaar die ik er kwam, was ik anderhalf jaar aangesteld als geestelijk verzorger. Mijn contract liep precies eind februari 2020 af en van de ene op de andere dag mocht ik niet meer naar binnen als vrijwilliger, het was een enorme cesuur. Iedereen kan zich herinneren hoe ingrijpend de lockdowns waren. Met een aantal mannen hield ik schriftelijk contact. Na het hoogtepunt van de coronapandemie mocht ik sporadisch weer naar binnen komen voor een gesprek met één van de langer zittende mannen. Het binnenterrein had in die tijd een dramatische facelift ondergaan. Het gras was vervangen door kunstgras en de enige boom die er stond was omgehakt en had moeten wijken voor fitnessapparaten. Het was er kaler dan ooit. Een gevangenis is van beton en staal met nauwelijks sporen van levende natuur, het is er kaal en arm aan zintuiglijke prikkels. Die zijn er gewoon niet. Maar rond de buitenmuren ontwikkelde zich in de lente een drie meter brede explosie van bloei van allerlei soorten narcissen. Duizenden narcissen stonden uitbundig te bloeien, een bloei waarvan de mannen op de luchtplaats geen flauw benul hadden. Bij ieder bezoek in de lenteperiode plukte ik narcissen uit die perken om in het boeket bij de overige takken van heesters en hedera te steken, die ik tevoren had verzameld uit de plantsoenen van de gemeente. Ik ben er weleens op aangesproken: “Mevrouw wat bent u aan het doen?” Dan legde ik het uit en was het meestal goed. De bloemen en takken waren zo gewoon mogelijk, planten die wij iedere dag kunnen zien, ruiken en aanraken. Ik nam ze mee om na de meditatie met de mannen te delen. Dit ritueel had ik van mijn voorganger overgenomen. De eerste keer was ik er diep door geraakt toen na afloop van de meditatie de mannen doelgericht en vastberaden op die vaas afliepen om een tak te bemachtigen om mee te kunnen nemen naar hun cel, teken van leven en hoop.
Vrijdagmiddag was de meditatiebijeenkomst. Rond kwart voor een druppelden de mannen binnen, meestal waren het er ongeveer vijftien tot twintig. Ze werden door bewakers vanuit hun cellenblokken naar de stilteruimte gebracht. Eén van de bewakers bleef achter bij de groep en deed wel of niet mee. De geestelijk verzorger hield een praatje gevolgd door een geleide meditatie. De eerste keer dat ik er was ging het praatje over het gedicht van de kersenboom van Ikkyū. Het contrast van de rauwe omgeving met de beloftevolle tak kon niet groter zijn:
“Breek je een kersenboom open dan vind je geen bloemen,
maar de zachte lentewind laat duizenden bloesems bloeien.”
Sindsdien, dit jaar voor de tiende keer, lees ik aan het begin van de lente het gedicht van de kersenbloesem voor ter ere van al die mensen voor wie het een bericht van hoop is (geweest). Het gedicht gaat over geduld, over wachten op een nieuw begin. Iedereen kan altijd weer opnieuw beginnen, wat er ook is gebeurd en welke fouten je in je leven hebt begaan. In de gevangenis leerde ik de betekenis van gelijkwaardigheid; ik ben jij en jij bent mij, geen verschil. Als er al een verschil is, dan is dat flinterdun, want in een split second bega je wel of niet een misdaad, ben je wel of niet in staat om discipline te betrachten, je te beheersen. Nu heb ik het wel over ‘milde misdaad’, want er zijn verschillen, dat weten we. Maar het is mede afhankelijk van de achtergrond en het rugzakje dat je met je meedraagt van waar je terecht komt in je leven. Ik voel verwantschap met de woorden van Joan Halifax: “In de gevangenis heb ik een diepgaand inzicht opgedaan: Ik zag gevangen mensen niet langer als op angst gebaseerde projecties, maar als mensen die lijden door afschuwelijke ervaringen in hun levensgeschiedenis, ik zie ze als gewonde boeddha’s” (2019; 6).
In de rij van zenmeesters neemt Ikkyū (1394-1481) een bijzondere plaats in. Zijn afkomst als onwettige zoon van de keizer zorgde ervoor dat hij al heel jong naar een klooster werd gebracht om daar binnen beschermende muren veilig te kunnen opgroeien. Tot zijn zestiende jaar had Ikkyū zijn zentraining gevolgd in kloosters ver weg van de politieke machtscentra. Daarna ging hij naar een klooster in Kyoto, dat midden in het politieke centrum lag van de macht. Het leven in kloosters rond de machtscentra was in die tijd verstrengeld geraakt met de elite van het land. Kloosters waren deel geworden van het politieke systeem en ook de abt van het klooster kon zich ternauwernood onttrekken aan het bureaucratische en corruptieve systeem.
Kasō Sōdon, abt van het klooster in Kyoto, had Ikkyū aangewezen als zijn opvolger. Zijn plotselinge dood stelde Ikkyū voor een cruciale keuze tussen twee opties: abt worden in een relatief veilige omgeving of het bestaan van bedelmonnik. Meer dan dertig jaar zwierf Ikkyū als bedelmonnik door het land. Hij maakte furore en leefde met de mensen die hij in de dorpen, gehuchten en steden tegen kwam. Hij gaf onderricht in zijn moedertaal waardoor zen toegankelijk werd voor de gewone Japanners. Bijzonder in die tijd, want de voertaal voor religieuze en literaire teksten was van oudsher Chinees, de taal van de elite. Ikkyū werd gedreven door zijn liefde voor het leven en de mensen om hem heen. Zijn volgelingen kwamen uit alle lagen van de bevolking. Rond zijn veertigste werd hem gevraagd abt van een klooster te worden. Hij stemde ermee in, deed een poging, maar na tien dagen hield hij het voor gezien en verliet het klooster met de woorden:
”Tien dagen in deze tempel en mijn geest dwaalt in grote verwarring, mijn voeten verstrikt in ambtenarij. Mocht je mij op een goede dag willen vinden, probeer dan de vismarkt, het café of bordeel.”
Zo’n dertig jaar later kwam er een einde aan zijn zwervende bestaan en werd hij abt van Daitoko-Ji, het klooster in Kyoto, dat gelieerd was aan de keizer. Hij leefde daar met zijn geliefde Mori in een hut bij het klooster.
Ikkyū vierde het leven, liefde en hartstocht beschouwde hij als zuivere expressies van de ware leer. De ervaring van de liefde zelf is verlichting, welke liefde ook, want liefde is de expressie van onze ware natuur en laat de pure zuiverheid ervan in ons openbloeien. Liefde is overgave, maakt open, is ontvankelijk. Ikkyū geeft hiermee een sacrale dimensie aan liefde, erotiek en lichamelijke beleving van seksualiteit, omdat die niet ego gericht is, maar opgaat in het Ene, bruggen slaat naar verbindingen met de ander in een groter perspectief. Want liefde overstijgt dualiteiten en leidt tot samensmelten in de overgave en verstrengeling tot één lichaam en daarmee alle lichamen. Hij geeft daarmee een extra dimensie aan de betekenis van liefde, alomvattend, die ook tot uitdrukking én expressie komt in zijn liefde voor de natuur, de muziek, poëzie, kalligrafie en in het ritueel van de theeceremonie. Zijn dagelijks leven bestond uit leven in aandacht voor de dagelijkse dingen om hem heen. Hij droeg dat uit aan mensen om hem heen.
De lente is twee weken gaande, bloesemtakken zijn uitgebot. Het mysterie van de seizoenen laat zich weer zien en Ikkyū geeft er woorden aan:
“Breek je een kersenboom open dan vind je geen bloesem,
maar de zachte lentewind laat duizenden bloesems bloeien.”
Het gedicht nodigt uit tot geduld. Heb geduld, want ingrijpen werkt averechts, dan verstoor je de loop der dingen en komt het niet tot bloei. Als je de pop van een vlinder helpt om eruit te komen, zal de vlinder nooit vliegen en zelfs sterven. Juist die worsteling en krachtsinspanning is cruciaal om als vlinder te kunnen leven en met zijn vleugels te kunnen fladderen in de zon. Datzelfde geldt voor mensen. Wij groeien uit tot steeds meer mens door tegenslagen die we ondervinden; een gebroken hart is een open hart.
Cuong Lu, was een leerling van Thich Nhat Hanh en geestelijk verzorger in de gevangenis. Hij merkte op: “dat de gevangenis een kans was voor deze mannen, een kans om waar geluk te ervaren. Een geluk dat ze nooit eerder hadden gekend ”(id: 17). Velen zaten daar omdat ze in een staat van verlorenheid en eenzaamheid verschrikkelijke misdaden hadden gepleegd. In de stilteruimte kwamen ze een wereld binnen van vrede en geluk, waren ze veilig en hoefden ze niet op hun hoede te zijn. “Ze begrepen deze leer perfect en vonden in de gevangenis een geluk dat een grotere bevrediging bood, dan geld, macht of seks. Ze maakten kennis met een geluk dat steeds en altijd voor hen beschikbaar was”(id: 17). Dit is zo waar en ik heb diezelfde ervaring die Cuong Lu beschrijft. Na een bijeenkomst kwam hij met een tak in zijn handen naar me toe en fluisterde: “Mevrouw ik kwam hier helemaal opgefokt binnen, maar nu voel ik me zo licht als een veertje”. Hij zei dat niet één keer, maar iedere keer weer: “Mevrouw ik kwam hier helemaal opgefokt binnen, maar ik ga weg zo licht als een veertje”.
De tak met knoppen vormt bloesem en draagt vrucht, de bloesem sterft af en in de volgende lente is er weer opnieuw de beloftevolle knop die bloesem draagt en opnieuw weer vrucht zal geven. Het is een metafoor voor ons eigen leven met wisselende perioden van voorspoed en tegenslag, angst en vrede, wanhoop en gemoedsrust, waarin genade ons kan toevallen. Verdragen en het uithouden bij ziekte, verlies, ongemak, ouderdomskwalen, verraad en tegenslag, wat er ook in je leven gebeurt. Het vergt moed om onszelf recht in de ogen te durven zien en eerlijk en oprecht, maar met grote mildheid onze eigen tekortkomingen onder ogen te willen zien.
In haar boek Als je wereld instort schrijft Pema Chödrön: ”Het grootste kwaad dat wij onszelf kunnen aandoen” ze noemt het zelfs: “de grootste agressie jegens onszelf -ik zou het liever onverschilligheid of angst willen noemen- om bewust onwetend te blijven en we niet de moed en het respect (voor onszelf) durven opbrengen om oprecht en met milde aandacht zelfonderzoek te doen”. Als je wereld instort, daal dan af in je verdriet, omarm je verdriet. Want juist daarin ligt de sleutel tot geluk. Durf je angst, pijn, fouten en tekortkomingen te zien en gebruik ze, want ze zijn de sleutel tot wijsheid en innerlijke vrede, zegt ook Pema Chödrön. Want geluk ligt voortdurend binnen ons handbereik maar we lopen het vaak mis, omdat we teveel bezig zijn om onze pijn en het lijden te omzeilen. We gaan er liever langs, want het kan zo pijnlijk en confronterend zijn om het recht in de ogen te zien. De boodschap, zelfonderzoek, van Pema Chödrön geldt niet alleen voor als je wereld instort. Je kunt het natuurlijk ook toepassen op de dagelijkse ongemakken waar je tegenaan loopt, de conflicten, onenigheid, voor de jaloezie en afgunst waar je tegenaan loopt, de verliesmomenten en het niet gehoord of gezien worden. Ook dan is zelfonderzoek nuttig en heilzaam. Wijs niet naar de ander, maar durf te kijken naar wat er in jou plaatsvindt, wat je eigen aandeel is.
In de stilte van onze meditatie richten we onze blik naar binnen en we dalen af naar een diepere laag in ons, waar heelheid heerst. Daar kun je ondanks en dankzij verdriet en pijn vrede en heelheid vinden, je kracht aanboren. Daar kun je je verbonden voelen met alle anderen. Daar raken we ook dichter aan het wonder van het bestaan: de tak van een kersenbloesem, onze ware natuur.
Cuong Lu. De Boeddha in de bajes. 2019.
Pema Chödrön. When things fall apart. 1996.


Geef een reactie