Gisteren schreef ik in mijn column over de mantelzorgers dat ik geruime tijd in de Achterhoek en Overijssel woonde. Ik beleefde daar samen met mijn gezin een heerlijke tijd. Het leek wel of de tijd daar wat geremd werd zonder dat het achterlijk werd.
Ik vertrok uit mijn geboortestad Rotterdam naar die oostelijke streken. Wist niet wat me te wachten stond qua werk en sociale omgeving. Mijn vrienden namen afscheid van mij alsof ik naar een onbewoond eiland vertrok en voorgoed uit hun zicht verdween.
Ik maakte er kennis met leuke mensen met wie ik al snel een vriendschappelijke relatie opbouwde. Wirkommen hoorde ik vaak en ook tjuus. Ik woonde er in een boerderij temidden van akkers en natuur waar ganzen nog werden opgevreten door bijtgrage dieren. Met mijn collega’s bij de krant waar ik werkte had ik een leuk contact. Het is goed om andere journalisten te ontmoeten, zo ervoer ik. Soort zoekt soort?
Eigenlijk miste ik Rotterdam, het Westen helemaal niet. Tot ik op een dag het liedje Terug naar de kust van Maggie McNeal hoorde, dat daar mijn jeugd voorbij ging. En vrijwel direct voelde ik me een vreemdeling in een door mij vrijwillig gekozen omgeving. Ik miste mijn familie, vrienden en schoonouders, honderden kilometers verderop. Het zette zich vast in mijn linker- en rechter hersenhelft.
Ik voelde me wel een beetje een verrader naar de mensen om mij heen, de Tukkers die mijn vrienden waren geworden. Zij wisten niets van de invloed die Maggie McNeal op mij had.
Een paar maanden na het horen van Terug naar de kust verliet ik Enschede. Vrienden en buren zwaaiden ons uit, tranen liepen.
Ik keerde terug naar de kust, eigenlijk zonder drang of dwang, zo hield ik me voor. Een nieuwe toekomst tegemoet.
Ze zeggen dat zingen goed is voor de geest, het welbevinden. Luisteren naar zang ook, zo is mijn ervaring. Het was daar goed en ook aan de kust.


Geef een reactie